Direct naar content gaan

HR arresten

  • 4 april 2026
    • HR

      Hoge Raad 2026-05-01 ECLI:NL:HR:2026:730

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: Artikel 53 AOW. Rolnummer: 22/02815

    • HR

      Hoge Raad 2026-05-01 ECLI:NL:HR:2026:729

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: Artikel 53 AOW. Rolnummer: 22/02814

    • HR

      Hoge Raad 2026-05-01 ECLI:NL:HR:2026:739

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR: 81.1 RO. Rolnummer: 25/02784

    • HR

      Hoge Raad 2026-05-01 ECLI:NL:HR:2026:737

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR: 81.1 RO. Rolnummer: 25/02744

    • HR

      Renteaftrekstructuur; Bosalgat; artikel 10a Wet VpB 1969; fraus legis

      X (bv; belanghebbende) is opgericht als onderdeel van een project van een Franse en een Nederlandse financiële instelling. Zij heeft in de boekjaren 2007/2008 en 2008/2009 preferente aandelen (prefs) verworven in een Luxemburgse deelneming. Daarnaast heeft zij een omvangrijke obligatieportefeuille verworven. De prefs worden gefinancierd met Limited Recourse-leningen (de leningen), circa € 750 miljoen, verstrekt door een andere Luxemburgse vennootschap. De Luxemburgse vennootschappen zijn groepsvennootschappen van de Franse financiële instelling. De vergoeding op de prefs is in Luxemburg aftrekbaar en valt in Nederland in beginsel onder de deelnemingsvrijstelling. De door X verschuldigde rente is afgestemd op het rendement op de prefs en bedraagt ruim € 31 miljoen per boekjaar. Voor de periode vanaf 1 januari 2008 is Hof Amsterdam van oordeel dat de Inspecteur, met toepassing van een vanaf die datum voor hem bestaande tegenbewijsmogelijkheid, aannemelijk heeft gemaakt dat aan de leningen niet in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag liggen. De verschuldigde rente is dan reeds op grond van artikel 10a Wet VpB 1969 niet aftrekbaar. Voor het gedeelte van de rente dat betrekking heeft op de periode voorafgaand aan 1 januari 2008 acht het Hof het aannemelijk dat de leningen zijn aangegaan met het doorslaggevende oogmerk om belasting te besparen. De aldus (kunstmatig) gecreëerde rentelasten zijn afgezet tegen op kunstmatige wijze bij X tot stand gekomen voordelen. In een dergelijk geval staat het leerstuk wetsontduiking (fraus legis) aan aftrek van de rente in de weg, aldus het Hof. Tegen dit oordeel heeft X met vier middelen cassatieberoep ingesteld, maar de Hoge Raad verklaart alle middelen ongegrond. Conform conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:PHR:2022:507. Rolnummer: 21/04746

    • HR

      Vertraging door beperkte zittingsbeschikbaarheid gemachtigde en de redelijke termijn

      In deze zaak is de vraag aan de orde hoe het leerstuk van vergoeding van immateriële schade wegens overschrijding van de redelijke termijn moet worden toegepast wanneer vertraging ontstaat doordat een gemachtigde onvoldoende beschikbaar is voor zittingen. Rechtbank Midden-Nederland heeft geoordeeld dat de redelijke termijn met een jaar moet worden verlengd omdat veel zaken van dezelfde gemachtigde niet tijdig op zitting konden worden gepland. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden kan zo’n generieke verlenging echter niet worden aanvaard. De vraag of de redelijke termijn wordt verlengd moet volgens het Hof per individuele zaak worden beoordeeld en vereist een concrete motivering. Volgens het Hof heeft de Rechtbank onvoldoende gemotiveerd waarom de vertraging uitsluitend aan de gemachtigde is toe te rekenen en had de Rechtbank meer regie kunnen voeren. Het Hof heeft een immateriële schadevergoeding van € 1.500 vastgesteld. In cassatie is met name in geschil of het procesgedrag van een gemachtigde aanleiding kan geven tot verlenging van de redelijke termijn. De Hoge Raad overweegt dat een bijzondere omstandigheid aanwezig kan zijn wanneer procesgedrag van een gemachtigde tot vertraging leidt die niet in de standaardtermijn van twee jaar is verdisconteerd. Daarbij kan ook zaaksoverstijgend gedrag worden betrokken, voor zover dit invloed heeft op de duur van de individuele procedure. Indien vertraging wordt veroorzaakt door capaciteitsgebrek van de gemachtigde, vormt dit een aan de belanghebbende toe te rekenen bijzondere omstandigheid die verlenging van de redelijke termijn rechtvaardigt. Voor het aannemen van zo’n bijzondere omstandigheid is geen nadere belangenafweging vereist. Het Hof is in casu van een te strenge maatstaf uitgegaan, concludeert de Hoge Raad. In de onderhavige zaak is vertraging opgetreden omdat de gemachtigde wegens gebrek aan capaciteit niet voldoende beschikbaar is voor zittingen. De redelijke termijn moet op drie jaren worden gesteld. Dit betekent dat de redelijke termijn voor de berechting in eerste aanleg met een maand is overschreden. De vergoeding van immateriële schade bedraagt in dat geval € 500. Het cassatieberoep van het bestuur van de Belastingsamenwerking gemeenten en hoogheemraadschap Utrecht is gegrond. Het principale en het incidentele beroep in cassatie van X (belanghebbende) wordt niet-ontvankelijk verklaard. Rolnummer: 25/02550

    • HR

      Onjuiste toepassing artikel 40, lid 2, Wet WOZ; overgangsrecht t.a.v. griffierecht

      X (belanghebbende) heeft in deze WOZ-zaak in bezwaar met een beroep op artikel 40 Wet WOZ verzocht om stukken. De gegevens zijn pas in de beroepsfase verstrekt. In beroep heeft X daarnaast verzocht om een onderbouwing van de grondstaffel, waarop de Heffingsambtenaar een toelichting heeft gegeven. Rechtbank Noord-Holland heeft het beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft wel een vergoeding toegekend wegens overschrijding van de redelijke termijn en voor proceskosten, maar geen vergoeding voor het betaalde griffierecht. Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat de Heffingsambtenaar met de taxatiematrix voldoende inzicht heeft gegeven in de waardeontwikkeling en daarmee de vastgestelde WOZ-waarde aannemelijk heeft gemaakt. Over de correctiepercentages bij de KOUDV-factoren heeft het Hof geoordeeld dat deze, voor zover al toegepast, van verwaarloosbaar belang zijn en dat het gebruik van vaste percentages een schijnprecisie kan wekken. Verder heeft het Hof geoordeeld dat geen recht bestaat op vergoeding van het in beroep betaalde griffierecht bij een verzoek om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn. X heeft cassatieberoep ingesteld en de Hoge Raad verklaart dit gegrond. Het Hof heeft ten onrechte geoordeeld dat vaste correctiepercentages bij KOUDV-factoren niet onder de reikwijdte van artikel 40, lid 2, Wet WOZ vallen. De Hoge Raad verwijst naar het arrest HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297. De klacht over het niet beoordelen van de onderbouwing van de indexering en de grondstaffel leidt niet tot cassatie. Het oordeel van het Hof over het griffierecht is voorts onjuist gelet op het in het arrest HR 31 mei 2024, ECLI:NL:HR:2024:567, in onderdeel 7 vermelde overgangsrecht. De Hoge Raad houdt de beslissing over de hoogte van de proceskostenvergoeding in cassatie aan om partijen gelegenheid te geven nadere gegevens te verstrekken. Rolnummer: 24/02564

    • HR

      Proceskostenvergoedingen en immateriële schade bij WOZ-beschikking en OZB-aanslag

      Eindarrest na tussenarrest HR 27 februari 2026, ECLI:NL:HR:2026:297. X (belanghebbende) heeft geprocedeerd tegen het dagelijks bestuur van Cocensus over een WOZ-beschikking en een aanslag onroerendezaakbelastingen. In de procedure bij Hof Amsterdam is ook een incidenteel hoger beroep aan de orde geweest. Tegen de uitspraak van het Hof heeft X beroep in cassatie ingesteld. De Hoge Raad heeft in het arrest van 27 februari 2026 geoordeeld dat de uitspraak van het Hof niet in stand kan blijven voor zover deze betrekking heeft op de vergoeding van immateriële schade. De Hoge Raad heeft beslist dat hij de zaak zelf kan afdoen door de uitspraak van Rechtbank Noord-Holland over de immateriële schadevergoeding te bevestigen. Ook heeft de Hoge Raad beslist dat de Heffingsambtenaar van de gemeente Dijk en Waard moet worden veroordeeld in de proceskosten van X voor het incidentele hoger beroep bij het Hof en dat het dagelijks bestuur van Cocensus moet worden veroordeeld in de proceskosten van de cassatieprocedure. De Hoge Raad heeft vervolgens de omvang van deze proceskosten beoordeeld. Voor het incidentele hoger beroep heeft de Hoge Raad één proceshandeling in aanmerking genomen, een schriftelijke zienswijze na incidenteel hoger beroep. Met een wegingsfactor 1,5 en een puntwaarde van € 934 heeft dit geleid tot een proceskostenvergoeding van € 1.401. Ten aanzien van de cassatieprocedure heeft de Hoge Raad X in de gelegenheid gesteld gegevens te verstrekken om aannemelijk te maken dat sprake is van een bijzonder geval dat een hogere proceskostenvergoeding rechtvaardigt. X heeft hiervan geen gebruik gemaakt. Daarom stelt de Hoge Raad de vergoeding thans vast volgens de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en BPM. Rolnummer: 24/03415 bis

    • HR

      Geen dwangsom bij te late beslissing op bezwaar tegen dwangsombesluit

      X (belanghebbende) heeft de Inspecteur verzocht om ambtshalve vermindering van een aan hem opgelegde aanslag IB/PVV 2020. Omdat niet tijdig op dit verzoek is beslist, heeft X de Inspecteur in gebreke gesteld. Nadat ook daarna geen beslissing is genomen, heeft X de Inspecteur verzocht de verbeurde dwangsom vast te stellen. De Inspecteur heeft daarop bij beschikking vastgesteld dat geen dwangsom is verbeurd (het eerste dwangsombesluit). X heeft tegen deze beschikking bezwaar gemaakt. Omdat niet tijdig op het bezwaar is beslist, heeft X de Inspecteur opnieuw in gebreke gesteld. Daarna heeft de Inspecteur alsnog uitspraak op bezwaar gedaan. Hij heeft het bezwaar gegrond verklaard en alsnog een dwangsom vastgesteld wegens het niet tijdig beslissen op het verzoek om ambtshalve vermindering. De Inspecteur heeft daarbij tevens beslist dat geen dwangsom wordt toegekend wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen het eerste dwangsombesluit. X heeft tegen dit laatste besluit beroep ingesteld. Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft geoordeeld dat het eerste dwangsombesluit geen beschikking op aanvraag is in de zin van artikel 4:17, lid 1, Awb. Daarom kan de Inspecteur geen dwangsom verbeuren wegens het niet tijdig nemen van een dergelijk besluit. In lijn daarmee heeft de Rechtbank geoordeeld dat ook geen dwangsom wordt verbeurd bij het niet tijdig nemen van een besluit op bezwaar tegen een dwangsombesluit. De Rechtbank heeft daarbij aangesloten bij vaste rechtspraak van de Afdeling Bestuursrechtspraak van de Raad van State en de Centrale Raad van Beroep. In cassatie is in geschil of de Inspecteur een dwangsom verbeurt wegens het niet tijdig beslissen op het bezwaar tegen een dwangsombesluit. De Hoge Raad oordeelt dat het oordeel van de Rechtbank juist is. Uit de wettelijke regeling over de dwangsom bij niet tijdig beslissen in paragraaf 4.1.3.2 Awb volgt dat een bestuursorgaan geen dwangsom kan verbeuren wegens het niet tijdig vaststellen van een beschikking over de verschuldigdheid en de hoogte van een door hem verbeurde dwangsom. Daarmee wordt een stapeling van dwangsommen voorkomen. In lijn daarmee kan ook geen dwangsom worden verbeurd indien niet tijdig wordt beslist op een bezwaar tegen een dwangsombesluit. Hoewel een uitspraak op bezwaar in beginsel een besluit op aanvraag is, geldt hiervoor een uitzondering. Rolnummer: 24/03521

    • HR

      Loonheffing over reiskostenvergoedingen in kader van IKB tijdens corona

      In deze zaak is in geschil of de afdracht van loonheffingen (eindheffing werkkostenregeling) over het jaar 2020 ter zake van reiskostenvergoedingen die de provincie X (belanghebbende) in verband met een uitruil van het Individueel Keuze Budget (IKB) in het jaar 2020 aan haar werknemers heeft betaald, voor zover die werknemers niet vóór 13 maart 2020 in het salarissysteem om die uitruil hebben verzocht, terecht, en zo ja, tot het juiste bedrag heeft plaatsgevonden. Volgens Hof Arnhem-Leeuwarden kan X niet met succes een beroep doen op de goedkeuring in het Coronabesluit van 14 april 2020 voor betalingen van reiskostenvergoedingen voor zover de bestedingskeuze niet vóór 13 maart 2020 in het salarissysteem is gemaakt. In zoverre heeft de afdracht van loonheffingen terecht en tot het juiste bedrag plaatsgevonden. Het Hof is verder van oordeel dat X op basis van de op Forum Salaris (een online platform van de Belastingdienst en het UWV) op 8 december 2020 gepubliceerde antwoorden niet erop kon vertrouwen dat een vrijstelling zou gelden voor de betalingen van reiskosten aan werknemers die hun bestedingskeuze voor de uitruil niet vóór 13 maart 2020 in het salarissysteem hadden gemaakt. X heeft cassatieberoep ingesteld maar de Hoge Raad verklaart dat ongegrond. De Hoge Raad verwijst naar het arrest HR 23 januari 2026, 24/02364, ECLI:NL:HR:2026:25 en oordeelt verder dat de uitleg van het Hof niet berust op een onjuiste rechtsopvatting en dat de oordelen niet onbegrijpelijk zijn of ontoereikend gemotiveerd. Het beroep op het vertrouwensbeginsel kan niet slagen, omdat de verschuldigdheid van loonheffing voortvloeit uit het ontbreken van een onvoorwaardelijk recht vóór 13 maart 2020 en dus niet uit later verstrekte informatie van de Belastingdienst. Rolnummer: 25/02857

    • HR

      Voor bekendmaking naheffingsaanslag via MijnOverheid was geen e-mailnotificatie vereist

      Deze zaak gaat over kosten van € 8 die aan X (belanghebbende) in rekening zijn gebracht in verband met de aanmaning om een naheffingsaanslag parkeerbelasting te betalen. Deze naheffingsaanslag was geplaatst in de berichtenbox van MijnOverheid. In hoger beroep heeft X gesteld dat hij van die plaatsing niet op de hoogte was gebracht via een e-mailnotificatie. Hof Den Haag heeft geoordeeld dat de aanslag rechtsgeldig is bekendgemaakt en dat X niet aannemelijk heeft gemaakt dat geen notificatie is verzonden of dat de notificatiefunctie was uitgeschakeld. In cassatie klaagt X over de bewijslastverdeling en stelt hij dat een notificatie verplicht is. De Hoge Raad stelt voorop dat kosten van invordering alleen kunnen worden berekend als de belastingschuldige in gebreke is, en dat daarvan pas sprake kan zijn nadat een belastingaanslag is vastgesteld en de belastingschuldige in de gelegenheid is geweest daarvan kennis te nemen. Door het activeren van zijn MijnOverheid-account heeft X kenbaar gemaakt dat hij langs elektronische weg bereikbaar is. De aanslag is overeenkomstig artikel 2:17 Awb verzonden door plaatsing in de berichtenbox en daarmee volgens artikel 3:41 Awb bekendgemaakt. Voor een geldige bekendmaking is niet vereist dat een e-mailnotificatie wordt verzonden. De Hoge Raad overweegt verder dat onder de destijds (tot 1 januari 2026) geldende regeling geen verplichting bestond voor bestuursorganen om een e-mailnotificatie te sturen. Dergelijke notificaties werden alleen verzonden als de gebruiker dat zelf had ingesteld. X heeft niet gesteld dat hij deze functie had geactiveerd. Daarom kon ervan worden uitgegaan dat geen notificatie hoefde te worden verzonden. Van een onjuiste bewijslastverdeling is geen sprake. Ook beginselen van behoorlijk bestuur staan in dit geval niet aan het berekenen van aanmaningskosten in de weg. Het cassatieberoep is ongegrond. Rolnummer: 24/03962

    • HR

      HR 81 RO; Voldaan aan voorwaarden voor fiscale eenheid btw; plaats van levering

      De ondernemingsactiviteiten van fiscale eenheid X-Y (belanghebbende) bestaan uit fiscale dienstverlening. Na een boekenonderzoek zijn aan X-Y over de jaren 2014 tot en met 2017 naheffingsaanslagen omzetbelasting opgelegd en (verhoogde) vergrijpboetes. De Inspecteur heeft X-Y als fiscale eenheid aangemerkt omdat X alle aandelen bezit in en enig bestuurder is van Y en de omzet van X volledig betrekking heeft op de werkzaamheden die haar enig werknemer A verricht voor Y. De Belastingdienst heeft A bij besluit van 13 juni 2014 geweigerd om op te treden als gemachtigde in fiscale aangelegenheden. Rechtbank Gelderland en in hoger beroep Hof Arnhem-Leeuwarden verwerpen het standpunt dat dit tot gevolg heeft dat niet meer wordt voldaan aan de voor een fiscale eenheid voorwaarde van organisatorische verwevenheid. Het gaat er om of X en Y onder een gezamenlijke leiding staan in de zin van artikel 7, lid 4, Wet OB 1968 en dat is het geval. Daaraan doet niet af dat A niet meer bij de Belastingdienst mocht optreden als gemachtigde voor zijn cliënten. Aangezien de overige verwevenheden niet in geschil zijn, is van rechtswege sprake van een fiscale eenheid omzetbelasting. In zoverre is het hoger beroep van X-Y ongegrond. X heeft facturen uitgereikt aan [naam] Ltd. Op deze facturen heeft zij enkel vermeld ‘overige werkzaamheden’. X heeft gesteld dat de plaats van de diensten voor de heffing van omzetbelasting buiten de EU ligt maar maakt dit niet aannemelijk. De omzet is terecht mede aan de naheffingsaanslagen ten grondslag gelegd. Gelet hierop is het incidenteel hoger beroep van de Inspecteur gegrond. De boetes, zoals deze zijn verminderd door de Rechtbank, acht het Hof passend en geboden. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen deze uitspraak op 1 mei 2026 verworpen onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO. Rolnummer: 24/00571

    • HR

      HR 81 RO; Inkomsten uit tijdelijke verhuur terecht belast; geen aftrek scholingsuitgaven

      X (belanghebbende) heeft zijn woning in 2016 uitgebreid met een aanbouw, die hij als gastenverblijf verhuurt via Airbnb. In 2018 is een bedrag van € 2.647,25 aan huurinkomsten ontvangen. Bij de aanslag IB/PVV 2018 van X zijn inkomsten uit tijdelijke verhuur in aanmerking genomen en is de aftrek voor scholingsuitgaven niet in aanmerking genomen. Rechtbank Noord-Holland heeft geoordeeld dat de tijdelijkeverhuurregeling van toepassing is en dat de inkomsten uit het ter beschikking stellen van het gastenverblijf terecht op grond van artikel 3.113 Wet IB 2001 zijn belast. X mag wel de door hem gestelde kosten voor de verhuur in aftrek brengen (70% van € 774). Dit oordeel wordt in hoger beroep door Hof Amsterdam bevestigd. Het gastenverblijf vormt – evenals de Rechtbank heeft geoordeeld – een bestanddeel van de eigen woning, dan wel toch – in ieder geval – een aanhorigheid bij de woning. Daarbij moet ervan worden uitgegaan dat de tijdelijke terbeschikkingstelling van dat bestanddeel of die aanhorigheid aan de eigen woning niet (geheel of ten dele) het karakter van eigen woning als bedoeld in artikel 3.111, lid 1, Wet IB 2001 ontneemt. Het Hof bevestigt ook het oordeel van de Rechtbank dat geen recht bestaat op aftrek van scholingsuitgaven voor het volgen van trainingen op het gebied van actief beleggen. X heeft niet aannemelijk gemaakt dat hij een (samenhangend) leertraject heeft gevolgd als bedoeld in artikel 6.27, lid 1, Wet IB 2001. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen deze uitspraak op 1 mei 2026 verworpen onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO. Rolnummer: 24/02099

    • HR

      HR 81 RO; IB-heffing over pensioen en AOW inwoner Duitsland

      X (belanghebbende) woont vanaf 2012 in Duitsland. In het jaar 2017 heeft X vanuit Nederland een AOW-uitkering ontvangen van € 14.751 en pensioenuitkeringen van in totaal € 48.882. In geschil is een aan X na het opleggen van de aanslag IB/PVV 2017 gegeven verminderingsbeschikking. Op grond van artikel 17, lid 2, Verdrag Nederland-Duitsland (2012) is het heffingsrecht over de pensioenuitkeringen (ook) aan Nederland toegewezen, nu het totale brutobedrag ervan in 2017 de som van € 15.000 te boven gaat. X stelt dat sprake is van onrechtmatige dubbele belastingheffing. Hij heeft deze stelling niet onderbouwd met gegevens over de Duitse belastingheffing. Indien echter sprake zou zijn van dubbele belastingheffing, dient X, als inwoner van Duitsland, in Duitsland voorkoming van dubbele belasting te vragen. Deze beroepsgrond slaagt daarom niet. De stelling van X dat de grens van € 15.000 betekent dat sprake is van discriminatie, faalt eveneens (vgl. HR 14 oktober 2022, 21/04276, ECLI:NL:HR:2022:1437, NLF 2022/2168, met noot van Douven). Hof Den Haag oordeelt ten slotte dat bij de verminderingsbeschikking ten onrechte de overgangsregeling van de Goedkeuringswet bij het belastingverdrag 2012 ook (deels) op de AOW-uitkering is toegepast. Dit betekent dat de aanslag, na de verminderingsbeschikking, eerder te laag dan te hoog is vastgesteld. Het hoger beroep is ongegrond. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen deze uitspraak op 1 mei 2026 verworpen onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO. Rolnummer: 24/03547

    • HR

      HR 81 RO: Loonheffing over reiskostenvergoedingen in kader van IKB ten tijde van corona

      In deze zaak is in geschil of de afdracht van loonheffingen (eindheffing werkkostenregeling) over het jaar 2020 ter zake van reiskostenvergoedingen die de gemeente X (belanghebbende) in verband met uitruil van IKB in het jaar 2020 aan haar werknemers heeft betaald, voor zover die werknemers niet vóór 13 maart 2020 in het salarissysteem om die uitruil hebben verzocht, terecht en, zo ja, tot het juiste bedrag heeft plaatsgevonden. Rechtbank Noord-Holland is op grond van de Coronabesluiten van 14 april 2020 en 16 juni 2020 tot de conclusie gekomen dat X geen loonheffing hoeft af te dragen over de uitbetaalde reiskostenvergoedingen. Hof Arnhem-Leeuwarden verklaart het hoger beroep van de Inspecteur gegrond. X kan niet met succes een beroep doen op de goedkeuring in het Coronabesluit van 14 april 2020 voor betalingen van reiskostenvergoedingen voor zover de bestedingskeuze niet vóór 13 maart 2020 in het salarissysteem is gemaakt. In zoverre heeft de afdracht van loonheffingen terecht en tot het juiste bedrag plaatsgevonden. Het beroep van X op gewekt vertrouwen slaagt voorts niet. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen deze uitspraak op 1 mei 2026 verworpen onder verwijzing naar artukel 81 Wet RO. Rolnummer: 25/02798

    • HR

      HR 81 RO; Loonheffing over reiskostenvergoedingen in kader van IKB; pleitbaar standpunt

      Werknemers van X (belanghebbende) hebben volgens hun cao recht op een Individueel keuzebudget (IKB). Vanaf 12 maart 2020 is Nederland vanwege de coronapandemie in gedeeltelijke lockdown gegaan en hebben de werknemers in beginsel vanuit huis gewerkt. Hierdoor kon niet meer worden voldaan aan de voorwaarde voor de – vaste – reiskostenvergoeding dat de werknemers doorgaans naar dezelfde arbeidsplek reizen. In geschil is de afdracht van loonheffingen (eindheffing werkkostenregeling) over het jaar 2020 ter zake van reiskostenvergoedingen die X in verband met uitruil van IKB in het jaar 2020 aan haar werknemers heeft betaald, voor zover die werknemers niet vóór 13 maart 2020 in het salarissysteem om die uitruil hebben verzocht. Hof Arnhem-Leeuwarden geeft de Inspecteur gelijk dat X niet met succes een beroep kan doen op het goedkeuringsbesluit van 14 april 2020 voor betalingen van reiskostenvergoedingen voor zover de bestedingskeuze niet vóór 13 maart 2020 in het salarissysteem is gemaakt. In zoverre heeft de Inspecteur terecht en tot het juiste bedrag loonheffing nageheven. Het hoger beroep van de Inspecteur ten aanzien van de naheffingsaanslag is gegrond. Ten aanzien van de boetebeschikking is het hoger beroep ongegrond. Er is sprake van een pleitbaar standpunt omdat Rechtbank Gelderland X belanghebbende in het geschil over de naheffingsaanslag op rechtskundige gronden in het gelijk heeft gesteld. De pleitbaarheid van het door X ingenomen standpunt betekent dat de boetebeschikking moet worden vernietigd. De beslissing van de Rechtbank wordt in zoverre bevestigd. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen deze uitspraak op 1 mei 2026 verworpen onder verwijzing naar artukel 81 Wet RO. Rolnummer: 25/02786

    • HR

      HR 81 RO: Loonheffing over reiskostenvergoedingen in kader van IKB ten tijde van corona

      X (belanghebbende) is een gemeente. In de Cao Gemeenten 2020 is bepaald dat de werknemer recht heeft op een Individueel keuzebudget (hierna: IKB). Het IKB is een bedrag per maand dat de werknemer kan besteden voor nader genoemde doelen, waaronder een aanvullende reiskostenvergoeding. In 2020 hebben alle 404 werknemers van X de uitruil voor een onbelaste vergoeding woon-werkverkeer toegepast. Ten gevolge van de coronapandemie ging Nederland vanaf 12 maart 2020 in gedeeltelijke lockdown. Voor de nettovergoedingen vanwege IKB-uitruil, waarbij door de betreffende werknemers niet voor 13 maart 2020 het vereiste ‘vinkje’ was geplaatst in het digitale salarissysteem, heeft X alsnog loonheffing afgedragen (€ 313.879 aan eindheffing). In geschil is of deze afdracht van loonheffingen terecht, en zo ja, tot het juiste bedrag heeft plaatsgevonden. Anders dan Rechtbank Noord-Nederland acht Hof Arnhem-Leeuwarden dat het geval. X kan niet met succes een beroep doen op de goedkeuring in het Besluit noodmaatregelen coronacrisis van 14 april 2020 voor betalingen van reiskostenvergoedingen voor zover de bestedingskeuze niet vóór 13 maart 2020 in het salarissysteem is gemaakt. Het beroep van X op het vertrouwensbeginsel en gelijkheidsbeginsel faalt. Ook hetgeen X overigens heeft aangevoerd, leidt niet tot een ander oordeel. Het hoger beroep van de Inspecteur is gegrond. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen deze uitspraak op 1 mei 2026 verworpen onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO. Rolnummer: 25/02745

    • HR

      Hoge Raad 2026-04-24 ECLI:NL:HR:2026:718

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: Loonbelasting; IB/PVV; rijnvarende; belastbaar loon; verwijzing naar ECLI:NL:HR:2026:564. Rolnummer: 24/04538

    • HR

      Hoge Raad 2026-04-24 ECLI:NL:HR:2026:720

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: Loonbelasting; IB/PVV; rijnvarende; belastbaar loon; verwijzing naar ECLI:NL:HR:2026:564 Rolnummer: 24/04540

    • HR

      Hoge Raad 2026-04-24 ECLI:NL:HR:2026:719

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: Loonbelasting; IB/PVV; rijnvarende; belastbaar loon; verwijzing naar ECLI:NL:HR:2026:564 Rolnummer: 24/04539

    • HR

      Hoge Raad 2026-04-24 ECLI:NL:HR:2026:717

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: Loonbelasting; IB/PVV; rijnvarende; belastbaar loon; verwijzing naar ECLI:NL:HR:2026:564 Rolnummer: 24/04537

    • HR

      Hoge Raad 2026-04-24 ECLI:NL:HR:2026:725

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR: 81.1 RO. Rolnummer: 24/04063

    • HR

      Hoge Raad 2026-04-24 ECLI:NL:HR:2026:724

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het verzoek om herziening n-o met toepassing van art. 80a RO. Rolnummer: 25/03916

    • HR

      Hoge Raad 2026-04-24 ECLI:NL:HR:2026:716

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: Loonbelasting; IB/PVV; rijnvarende; belastbaar loon; verwijzing naar ECLI:NL:HR:2026:564. Rolnummer: 24/04535

    • HR

      HR 81 RO: Geen herstelmogelijkheid voor gebreken in administratie

      De ondernemingsactiviteit van X (bv; belanghebbende) bestaat uit de exploitatie van een kermisattractie (breakdance) en een oliebollenkraam. Ook wordt materieel voor attracties aan derden verhuurd. De onderneming is gestart op 22 februari 2016. Tijdens een boekenonderzoek is geconstateerd dat X heeft nagelaten een (gedegen) kasadministratie bij te houden. Naar aanleiding van het boekenonderzoek is een naheffingsaanslag omzetbelasting opgelegd over de periode 1 februari 2016 tot en met 31 december 2017. Tevens is bij beschikking belastingrente in rekening gebracht en bij beschikking een boete opgelegd. Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft de naheffingsaanslag en de boete- en rentebeschikkingen verminderd. X verzoekt in hoger beroep de door de Inspecteur geconstateerde gebreken te herstellen en de zaak terug te wijzen naar de Rechtbank. Hof Den Bosch wijst erop dat een achteraf na afloop van enig jaar opgestelde administratie het risico met zich brengt dat de werkelijkheid niet goed wordt weergegeven. Volgens het Hof kan redelijkerwijs niet meer worden verwacht dat X nu alsnog een deugdelijke administratie overlegt. Daarnaast heeft X het beroep en het hoger beroep niet aangegrepen om nieuwe feiten of argumenten aan te voeren die tot het oordeel kunnen leiden dat de naheffingsaanslag en de boete- en rentebeschikkingen verder verminderd dienen te worden. Het hoger beroep is ongegrond. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen deze uitspraak op 24 april 2026 verworpen onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO. Rolnummer: 24/00950

    • HR

      HR 81 RO; Geen onrechtmatige risicoselectie van Rijnvarende; juiste premieheffing

      Rijnvarende X (belanghebbende) heeft de Nederlandse nationaliteit en was in de onderhavige jaren woonachtig in Nederland. Hij was in 2016 en 2018 werkzaam voor een in Liechtenstein gevestigde werkgever. De Inspecteur heeft bij de aanslagen IB/PVV over voornoemde jaren geen premievrijstelling toegepast. X is het hiermee niet eens en heeft beroep en hoger beroep ingesteld. Hof Den Bosch verwerpt het standpunt van X dat sprake is van een onrechtmatige risicoselectie. De bijzondere juridische positie als Rijnvarende, in combinatie met de geclaimde vrijstelling voor premieheffing, is de reden geweest om zijn aangifte aan een controle te onderwerpen door een gespecialiseerd team binnen de Belastingdienst. Van een selectie louter vanwege het beroep of de beroepsgroep, zonder concrete aanleiding voor een controle, is niet gebleken. Evenmin is gebleken van het bestaan van een ‘zwarte lijst’ met Rijnvarenden, op grond waarvan zij aan een verscherpt toezicht worden onderworpen. De Inspecteur is in het kader van de premieheffing gebonden aan een door de SVB afgegeven A1-verklaring en daarom is X in 2016 en 2018 verplicht verzekerd voor de Nederlandse socialezekerheidswetgeving. De Inspecteur heeft niet in strijd met de algemene beginselen van behoorlijk bestuur gehandeld. Artikel 73 Toepassingsverordening biedt voorts geen grond voor verrekening van de in Liechtenstein geheven of afgedragen premies. Het Hof verwerpt alle stellingen en verklaart het hoger beroep van X ongegrond. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen deze uitspraak op 24 april 2026 verworpen onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO. Rolnummer: 25/01176

    • HR

      HR 81 RO; Aandeelhoudersmotief voor borgstelling; geen verlies uit tbs of negatief loon

      X (belanghebbende) heeft op 30 maart 2006 Z (bv) opgericht en is sindsdien haar enig aandeelhouder. Z heeft op 13 april 2006 een aantal vennootschappen overgenomen. X heeft zich in het kader van een financieringsovereenkomst als zekerheid borg gesteld jegens de bank. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt in deze procedure dat X in het jaar 2015 in verband met de borgstelling geen verlies uit tbs in aanmerking kan nemen. De borgstelling is aangegaan uit aandeelhoudersmotief en speelt zich af in de kapitaalsfeer. Het Hof neemt hierbij in het bijzonder in aanmerking dat X de borgtocht is aangegaan voor bestaande, maar ook voor toekomstige schulden aan de bank, terwijl de borgtocht niet opzegbaar is. Naar het oordeel van het Hof was in 2006 geen onafhankelijke derde bereid om onder de betreffende voorwaarden en omstandigheden hetzelfde, bij de aanvang weliswaar (niet heel grote), maar in de tijd ongelimiteerde debiteurenrisico te lopen. Aangezien X de borg is aangegaan uit aandeelhoudersmotief, kan van negatief loon geen sprake zijn. Zelfs indien het Hof als uitgangspunt zou nemen dat X de borgstelling is aangegaan in zijn hoedanigheid van werknemer, is geen sprake van negatief loon. Evenmin is sprake van gewekt vertrouwen. Het hoger beroep is ongegrond.. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen deze uitspraak op 24 april 2026 verworpen onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO. Rolnummer: 24/00049

    • HR

      HR 81 RO; Rechtsgeldige pensioenovereenkomst; prijsgeven pensioenrechten; naheffing LB

      De heer A was tot zijn overlijden in 2002 dga van X (bv; belanghebbende). In 2002 heeft (blijkens notulen) een algemene vergadering van aandeelhouders van X (hierna: AVA) plaatsgevonden waarin aan de orde was de toekenning van pensioenrechten aan A. De notulen van de AVA en de bijbehorende aanvullende arbeidsovereenkomst, waarin een regeling is opgenomen voor een ouderdomspensioen, een weduwenpensioen en een wezenpensioen, zijn niet ondertekend. Hof Den Bosch oordeelt in hoger beroep dat desondanks een rechtsgeldige pensioenovereenkomst tot stand is gekomen en dat de weduwe van A (begin 2022 overleden) als gevolg daarvan een aanspraak had op een weduwepensioen. De Inspecteur stelt terecht dat de weduwe deze aanspraak in 2017 en niet al eerder heeft prijsgegeven in de zin van de Wet LB 1964. De Inspecteur heeft terecht en tijdig een naheffingsaanslag loonheffing aan X opgelegd. Ook is deze niet te hoog vastgesteld. Het hoger beroep is ongegrond. De uitspraak van Rechtbank Zeeland-West-Brabant wordt bevestigd. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen deze uitspraak op 24 april 2026 verworpen onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO. Rolnummer: 25/03800

    • HR

      HR 81 RO: Geen vrijstelling premieheffing voor Rijnvarende; geen discriminatie

      In deze zaak is primair in geschil of de Inspecteur aan Rijnvarende X (belanghebbende) terecht geen vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen heeft verleend voor het jaar 2018. Aan X is door de SVB een A1-verklaring afgegeven voor de periode vanaf 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2019. Deze staat onherroepelijk vast. Gelet hierop is X in 2018 in Nederland verzekerd en premieplichtig voor de Nederlandse premies volksverzekeringen, oordelen Rechtbank Den Haag en in hoger beroep Hof Den Haag. Aan de A1-verklaring vanaf 1 september 2018 van Liechtenstein komt geen betekenis toe. Het Hof oordeelt verder onder meer dat X geen Liechtensteinse socialezekerheidspremies kan verrekenen met de Nederlandse premies volksverzekeringen. Het beroep dat X doet op overeenkomstige toepassing van de Regeling tijdelijke tegemoetkoming Rijnvarenden, wordt verworpen. Deze regeling, die inmiddels is vervallen, gold voor een specifieke groep Rijnvarenden gedurende een specifieke periode die hier niet van toepassing is. Het onderzoek naar de juistheid van de aangifte voor het onderhavige jaar berust voorts niet op discriminatie. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen deze uitspraak op 24 april 2026 verworpen onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO. Rolnummer: 24/02830

    • HR

      HR 81 RO: Geen vrijstelling van premieheffing volksverzekeringen voor Rijnvarende

      Aan Rijnvarende X (belanghebbende) is een A1-verklaring afgegeven waarin is vermeld dat, op grond van Verordening 883/2004, over de periode van 1 januari 2016 tot en met 31 maart 2019 de Nederlandse socialezekerheidswetgeving op X van toepassing is. De A1-verklaring staat onherroepelijk vast. Gelet op deze A1-verklaring heeft de Inspecteur X over 2018 terecht verzekerd geacht voor de volksverzekeringen en in de premieheffing volksverzekeringen betrokken, oordeelt Hof Den Haag. De stelling van X dat daarover vanaf 1 september 2018 anders moet worden geoordeeld omdat er tevens een A1-verklaring is gegeven door het Liechtensteinse socialezekerheidsorgaan, treft geen doel. In het onderhavige geval is Liechtenstein pas per 1 september 2018 toegetreden tot de Rijnvarendenovereenkomst en gaat het om een A1-verklaring die het Liechtensteinse socialezekerheidsorgaan na die datum heeft gegeven, van welke verklaring hij overigens in januari 2024 nogmaals heeft bevestigd dat daaraan geen betekenis toekomt en dat hij deze intrekt. Ook alle overige stellingen worden verworpen. Het hoger beroep is ongegrond. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen deze uitspraak op 24 april 2026 verworpen onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO. Rolnummer: 25/00616

Naar boven