HR arresten
-
4 maart 2026
-
-
Hoge Raad 2026-03-13 ECLI:NL:HR:2026:408
Samenvatting van www.rechtspraak.nl: Omzetbelasting; art. 9 Wet OB; posten a.1, letter c, en b.14, letter d, van Tabel I behorende bij de Wet OB; toegangsprijs theatervoorstelling is inclusief een tijdens de pauze van de voorstelling verstrekt drankje; twee zelfstandige prestaties; verstrekking van het alcoholhoudende drankje belast naar het algemene omzetbelastingtarief. Rolnummer: 24/00262
-
Hoge Raad 2026-03-13 ECLI:NL:HR:2026:418
Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 24/03421
-
Hoge Raad 2026-03-13 ECLI:NL:HR:2026:417
Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 24/02183
-
Hoge Raad 2026-03-13 ECLI:NL:HR:2026:415
Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 24/01523
-
Hoge Raad 2026-03-13 ECLI:NL:HR:2026:420
Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 24/03977
-
Hoge Raad 2026-03-13 ECLI:NL:HR:2026:405
Samenvatting van www.rechtspraak.nl: Omzetbelasting; art. 9 Wet OB; posten a.1, letter c, en b.14, letter d, van Tabel I behorende bij de Wet OB; toegangsprijs theatervoorstelling is inclusief een tijdens de pauze van de voorstelling verstrekt drankje; twee zelfstandige prestaties; verstrekking van het alcoholhoudende drankje belast naar het algemene omzetbelastingtarief. Rolnummer: 23/04339
-
Hoge Raad 2026-03-13 ECLI:NL:HR:2026:419
Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 24/03422
-
Uitleg artikel 18, lid 2, Verdrag NL-België; verdeling heffingsbevoegdheid pensioen
Deze zaak gaat over de vraag hoe artikel 18, lid 2, Verdrag Nederland-België moet worden uitgelegd. In het bijzonder speelt de vraag hoe aan het drempelbedrag van € 25.000 – dat de heffingsrechtverdeling reguleert – moet worden getoetst. X (belanghebbende) is inwoner van België. Hij geniet pensioenen en lijfrenten die fiscaal gefaciliteerd zijn opgebouwd in Nederland. X heeft het standpunt ingenomen dat deze inkomsten niet belastbaar zijn in Nederland. In België worden de desbetreffende inkomstenbestanddelen ten dele progressief belast: het bedrag aan niet-progressief belaste pensioenen en lijfrenten bedraagt in elk van de jaren waarop het geschil ziet minder dan € 25.000. In feitelijke instanties is, voor zover in cassatie van belang, in geschil of Nederland op basis van artikel 18 Verdrag Nederland-België het heffingsrecht over het pensioen heeft in de onderhavige jaren. Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het beroep van X ongegrond verklaard. Hof Den Bosch stelt X echter in het gelijk: het heffingsrecht over het pensioen komt exclusief toe aan woonstaat België. Tegen dit oordeel heeft de staatssecretaris cassatieberoep ingesteld. Het cassatieberoep is gegrond voor zover het betoogt dat voor de toepassing van de slotzin van artikel 18, paragraaf II, van het verdrag het gehele brutobedrag van de gezamenlijke pensioen- en lijfrente-uitkeringen in aanmerking moet worden genomen. Gelet hierop wordt de grens van € 25.000 in dit geval overschreden en gaat de Hoge Raad in op het subsidiare standpunt dat X voor het Hof heeft ingenomen. Het Hof heeft, in cassatie onbestreden, vastgesteld dat het pensioen en de lijfrente tot de volgende bedragen niet progressief zijn belast in België: in 2014: € 23.739,75, en in 2015, 2016 en 2017: € 24.702,72. Alleen in zoverre mogen deze inkomsten in de Nederlandse belastingheffing worden betrokken, aldus de Hoge Raad. De staatssecretaris klaagt er verder nog terecht over dat het Hof de Inspecteur ten onrechte heeft gelast belastingrente te vergoeden over de teruggaven van ingehouden loonbelasting. Ook op dit punt is het cassatieberoep gegrond. Anders, conclusie A-G Ettema, ECLI:NL:HR:2026:395, Rolnummer: 23/01000
-
Geen passivering betalingsverplichting; oprentig betalingsverplichting niet aftrekbaar
Een achterkleindochter van X (A.A.R.L., belanghebbende) koopt in 2015 de aandelen in een target. Op grond van een Agreement and Plan of Merger (APM) komt de verplichting om voor de aandelen te betalen bij X te liggen. De betalingsverplichting is in dollars, renteloos en als onderdeel van de APM onderworpen aan een aantal opschortende voorwaarden (waaronder goedkeuring van de Amerikaanse autoriteiten). X heeft de betalingsverplichting voldaan zodra in 2016 aan de opschortende voorwaarden werd voldaan. In geschil is of X de betalingsverplichting ultimo 2015 mag passiveren als schuld of als voorziening. Daarnaast is in geschil of de oprenting van de betalingsverplichting (het verschil tussen de contante en nominale waarde) en het ongerealiseerde valutaverlies daarop in 2015 in aftrek kan worden gebracht. Rechtbank Noord-Holland is van oordeel dat geen passiefpost ‘schuld’ kan worden gevormd en overweegt daartoe dat de verbintenis tot betaling, vanuit Nederlands recht bezien, is aangegaan onder opschortende voorwaarden. Totdat aan de opschortende voorwaarden is voldaan dient de betalingsverplichting te worden aangemerkt als toekomstige schuld, die (nog) niet juridisch afdwingbaar is en niet kan worden gepassiveerd. De Rechtbank is voorts van oordeel dat niet een passiefpost ‘voorziening’ kan worden gevormd. Uit de jurisprudentie van de Hoge Raad volgt dat een voorziening wordt gevormd voor een bedrag dat als kostenpost ten laste van de winst zal komen. De Rechtbank is van oordeel dat niet kan worden gezegd dat de te verrichten betaling zal resulteren in een kostenpost. Het betreft niet een bedrag dat ten laste van de winst zal komen. Overigens kunnen de uitgaven van X uit hoofde van de betalingsverplichting ook niet worden toegerekend aan de periode voorafgaand aan de balansdatum, waardoor ook in zoverre voor de vorming van een voorziening geen grond bestond. De Rechtbank verklaart de beroepen ongegrond. Hof Amsterdam heeft de uitspraak van de Rechtbank, met aanvulling van gronden, bevestigd. Tegen dit oordeel heeft X met drie middelen cassatieberoep ingesteld, maar de Hoge Raad verklaart dit ongegrond. De staatssecretaris heeft voorwaardelijk incidenteel cassatieberoep ingesteld. Aangezien het incidentele beroep in cassatie alleen is ingesteld voor het geval het principale beroep in cassatie zou slagen, maar dit geval zich niet voordoet, vervalt dat incidentele beroep gelet op artikel 8:112, lid 2, Awb. Conform conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:PHR:2024:663. Rolnummer: 23/04451
-
Nieuwe argumenten in verzetprocedure bij WOZ‑vaststelling
X (belanghebbende) heeft cassatie ingesteld tegen de uitspraak van Rechtbank Limburg over zijn verzet tegen de eerdere ongegrondverklaring van zijn beroep tegen de WOZ‑beschikking voor 2022. De Heffingsambtenaar heeft de waarde van de woning van X vastgesteld op € 157.000. In beroep heeft X gesteld dat de waardestijging van € 29.000 ten opzichte van het voorafgaande jaar onvoldoende is onderbouwd. De Rechtbank heeft het beroep kennelijk ongegrond verklaard, omdat de waarde van eerdere jaren geen betekenis heeft voor het nieuwe WOZ‑jaar en X geen inhoudelijke gronden heeft aangevoerd. X heeft daarna verzet ingesteld. In verzet heeft X onder meer aangevoerd dat het taxatieverslag een onjuiste dakoppervlakte bevat, dat de geselecteerde referentieobjecten niet vergelijkbaar zijn en dat andere vergelijkbare hoekwoningen minder sterk in waarde zijn gestegen. De Rechtbank heeft geoordeeld dat zij in verzet alleen toetst of het terecht is geweest dat zonder zitting uitspraak is gedaan. Zij heeft het verzet ongegrond verklaard, omdat X voornamelijk dezelfde grond heeft herhaald over de forse waardestijging. De Hoge Raad stelt vast dat de Rechtbank alleen op die herhaalde grond is ingegaan en geen aandacht heeft besteed aan de nieuwe argumenten die X in verzet naar voren heeft gebracht. Daardoor kan de uitspraak niet in stand blijven. Het cassatieberoep en het verzet worden gegrond verklaard. De Rechtbank moet opnieuw beoordelen of de WOZ‑waarde te hoog is vastgesteld. Rolnummer: 24/01046
-
Vergoeding proceskosten en griffierecht bij intrekking cassatie na tegemoetkoming
X (belanghebbende) heeft cassatieberoep ingesteld tegen uitspraken van Hof Arnhem-Leeuwarden inzake aanslagen IB/PVV voor de jaren 2006 en 2010 tot en met 2012 (premieplicht Rijnvarende).~#~~#~De staatssecretaris heeft gemeld dat hij de Inspecteur heeft opgedragen de premies terug te betalen en X een proceskostenvergoeding toe te kennen voor het cassatieberoepschrift. X heeft daarop het cassatieberoep ingetrokken omdat aan zijn bezwaren is tegemoetgekomen. Hij heeft verzocht om vergoeding van de kosten van het cassatiegeding en het griffierecht. Daarnaast heeft X gevraagd om een hogere proceskostenvergoeding voor de procedure bij Rechtbank Gelderland omdat nu inhoudelijk is tegemoetgekomen en daarom een wegingsfactor 1 zou moeten gelden in plaats van 0,5.~#~~#~De Hoge Raad stelt vast dat het verzoek om vergoeding van de kosten van het geding in cassatie geen behandeling behoeft omdat partijen het daarover eens zijn.~#~~#~Nu de Inspecteur X tegemoetkomt, ziet de Hoge Raad aanleiding hem te veroordelen in de kosten die X bij de Rechtbank redelijkerwijs heeft moeten maken. Het feit dat X de oorspronkelijke proceskostenbeslissing van de Rechtbank niet heeft bestreden, staat hieraan niet in de weg. De kosten van het beroep, die betrekking hebben op beroepsmatig verleende rechtsbijstand, moeten overeenkomstig het verzoek van X worden berekend op basis van wegingsfactor 1.~#~~#~De proceskostenvergoeding voor de beroepsfase wordt vastgesteld op € 1.868. Omdat de Rechtbank reeds € 525 heeft toegekend en daartegen geen hoger beroep is ingesteld, wordt dit bedrag daarop in mindering gebracht.~#~~#~Voor het griffierecht kan de Hoge Raad als bestuursrechter geen beslissing nemen. Het bestuursorgaan is evenwel verplicht het griffierecht te vergoeden op grond van artikel 8:41, lid 7, Awb. Deze regeling is in geval van intrekking van het beroep in cassatie van overeenkomstige toepassing op grond van artikel 29 AWR.~#~ Rolnummer: 23/00871
-
Niet voldaan aan voorwaarden inkomensafhankelijke combinatiekorting
In 2014 werkt X (belanghebbende) in Nederland. Hij had in 2014 een partner en twee kinderen jonger dan 12 jaar. De partner woonde vanwege haar werk sinds 2013 met de kinderen in België en stond met hen op hun woonadres in België ingeschreven. X was ingeschreven in de BRP op een Nederlands woonadres. X verbleef in 2014 drie dagen per week en in de vakanties bij zijn gezin in België. X betoogt in deze procedure dat, hoewel wegens het inschrijvingsvereiste niet aan de voorwaarden voor toepassing van de iack is voldaan, hem de iack toch moet worden toegekend. Hof Den Bosch heeft het hoger beroep van X ongegrond verklaard. De argumenten van X over onder meer het burgerschap van de Unie en het evenredigheidsbeginsel slagen niet. Tegen dit oordeel heeft X cassatieberoep ingesteld, maar de Hoge Raad bevestigt het oordeel van het Hof. De Hoge Raad ziet daarom geen aanleiding tot het stellen van prejudiciële vragen aan het HvJ, zoals door X is verzocht. De overige door X in cassatie aangevoerde klachten doet de Hoge Raad af met toepassing van artikel 81 Wet RO. Rolnummer: 24/00914
-
Geen aanleiding om van heffing griffierecht af te zien; artikel 81 Wet RO
X (belanghebbende) heeft cassatieberoep ingesteld tegen een uitspraak van de voorzieningenrechter (Hof Arnhem-Leeuwarden). Het verzoek van X om een voorlopige voorziening te treffen is afgewezen. X heeft een beroep op betalingsonmacht gedaan met betrekking tot het voor de cassatieprocedure verschuldigde griffierecht. De griffier van de Hoge Raad op basis van de door X verstrekte informatie geen aanleiding gezien van heffing van griffierecht af te zien. X heeft het griffierecht onder protest betaald. De Hoge Raad is van oordeel dat de griffier terecht geen aanleiding heeft gezien van heffing van griffierecht af te zien. Op grond van de door belanghebbende overgelegde documenten acht de Hoge Raad namelijk niet aannemelijk dat zijn maandelijkse netto-inkomen in de hier van belang zijnde periode minder bedraagt dan 95 procent van de in dit geval relevante (maximale) bijstandsnorm voor een alleenstaande tot de AOW-gerechtigde leeftijd (vgl. HR 7 november 2025, ECLI:NL:HR:2025:1651, rechtsoverweging 2.2.4.). De overige klachten worden met toepassing van artikel 81 Wet RO ongegrond verklaard. Het cassatieberoep is ongegrond, aldus de Hoge Raad. Rolnummer: 24/01009
-
Hoge Raad 2026-03-13 ECLI:NL:HR:2026:416
Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 24/01524
-
Geen verlaagd btw-tarief voor alcoholisch pauzedrankje bij theaterbezoek (1)
Stichting X (belanghebbende) exploiteert een theater en verleent tegen betaling toegang tot voorstellingen. In de toegangsprijs is één pauzedrankje inbegrepen dat tijdens de pauze gereed staat. Bezoekers kunnen kiezen uit alcoholvrije en alcoholhoudende dranken. Het is niet mogelijk een kaartje zonder pauzedrankje te kopen. Het verlenen van toegang tot theatervoorstellingen valt onder het verlaagde btw tarief. Alcoholhoudende dranken vallen niet onder het verlaagde tarief en worden afzonderlijk belast tegen het algemene tarief. X heeft over 2015 tot en met 2018 het verlaagde tarief toegepast op de totale vergoeding, inclusief de pauzedrankjes. De Inspecteur heeft dit gecorrigeerd en een naheffingsaanslag opgelegd, omdat volgens hem sprake is van twee afzonderlijke prestaties. Hof Den Bosch heeft geoordeeld dat geen sprake is van één ondeelbare economische prestatie. Het pauzedrankje kan worden beschouwd als een aantrekkelijk tussendoortje of een aantrekkelijke afsluiting van het theaterbezoek, waarvan het nuttigen uitsluitend mogelijk is voor bezoekers van een voorstelling. Daarom kan volgens het Hof worden uitgegaan van één enkele prestatie die X verricht, bestaande uit meerdere elementen, die moet worden belast tegen het tarief van het hoofdelement, ook al is het mogelijk de omvang van de vergoeding voor elk element te bepalen. De staatssecretaris heeft cassatieberoep ingesteld en de Hoge Raad verklaart dat gegrond. De oordelen van het Hof geven blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Zoals het Hof heeft vastgesteld, is het nuttigen van het pauzedrankje niet van belang voor het bijwonen van de uitvoering van de theatervoorstelling. Het wordt niet tijdens die theatervoorstelling verstrekt. Het in een theatergebouw tijdens de pauze van een voorstelling (kunnen) nuttigen van een drankje moet aldus voor de bezoeker als een doel op zich worden beschouwd. Het door X verstrekken van het pauzedrankje kan daarom niet worden aangemerkt als een bijkomende prestatie die deelt in het voor de hoofdprestatie, het verlenen van toegang tot een voorstelling als bedoeld in post b.14 van Tabel I, geldende verlaagde tarief. De verstrekking van dat drankje is – voor zover het betreft een alcoholhoudende drank – belast naar het algemene omzetbelastingtarief als bedoeld in artikel 9, lid 1, Wet OB 1968. Het beroep van X op het gelijkheidsbeginsel slaagt niet. De naheffingsaanslag is terecht opgelegd. Rolnummer: 23/04337
-
Hoge Raad 2026-03-06 ECLI:NL:HR:2026:364
Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/02627
-
HR 81 RO: douaneschulden; niet aannemelijk dat goederen douanegebied Unie hebben verlaten
X (bv; belanghebbende) heeft op 20 december 2017 verzoeken gedaan tot terugbetaling van in twee utb’s vermelde belastingen (accijnzen en omzetbelasting) en de rente. De verzoeken zijn afgewezen. In geschil is of dat terecht is. X heeft op 11 november 2016 twee aangiften voor Uniedouanevervoer gedaan voor het vervoer van alcoholhoudende drank. Het kantoor van vertrek was Arnhem en het aangegeven douanekantoor van bestemming was Rotterdam. De goederen zijn niet aangebracht bij het kantoor van bestemming in de zin van artikel 233, lid 1, onderdeel a, DWU dan wel bij een toegelaten geadresseerde in de zin van artikel 233, lid 4, onderdeel b, DWU. Ook heeft X niet het alternatieve bewijs van regelmatige beëindiging van de regeling Uniedouanevervoer geleverd. Hieruit volgt dat de goederen aan het douanetoezicht zijn onttrokken, oordeelt Hof Amsterdam. De onttrekking van de goederen aan het douanetoezicht leidt tot een douaneschuld waarvoor X is aangewezen als douaneschuldenaar. Vervolgens is de vraag aan de orde of de douaneschulden teniet zijn gegaan in de zin van artikel 124, lid 1, onderdeel k, DWU. X stelt in dat kader dat zij heeft bewezen dat de goederen het douanegebied van de Unie hebben verlaten, maar maakt dit niet aannemelijk. Het Hof verwerpt alle stellingen. Het hoger beroep is ongegrond. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen deze uitspraak op 6 maart 2026 verworpen onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO. Rolnummer: 23/00145
-
HR 81 RO: Uitgaven voor onderhoudsverplichtingen ten onrechte niet in aftrek toegelaten
De Inspecteur heeft bij de aanslagen IB/PVV 2017 en 2018 van X (belanghebbende) geen aftrek van uitgaven voor onderhoudsverplichtingen geaccepteerd. Dat acht Hof Den Haag, anders dan in eerste instantie Rechtbank Den Haag, onterecht. Gelet op een verklaring van X en het feit dat zijn echtgenote in 2017 en 2018 in Marokko woonde en X in Nederland, vindt het Hof aannemelijk dat X en zijn vrouw in de jaren 2017 en 2018 duurzaam gescheiden hebben geleefd. Voorts acht het Hof aannemelijk dat X in 2017 en 2018 betalingen van resp. € 2.000 en € 1.200 heeft gedaan op grond van een rechtstreeks uit het familierecht voortvloeiende verplichting. Dit brengt mee dat X recht heeft op aftrek van de genoemde uitgaven voor onderhoudsverplichtingen in 2017 en 2018. Het Hof oordeelt verder dat X niet aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op aftrek van specifieke zorgkosten. De nabetaling van het pensioenfonds is voorts terecht in 2018 tot het belastbaar inkomen uit werk en woning van X gerekend. De Hoge Raad heeft het cassatieberoep tegen deze uitspraak op 6 maart 2026 verworpen onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO. Rolnummer: 24/01677
-
Hoge Raad 2026-03-06 ECLI:NL:HR:2026:357
Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR: 81.1 RO. Rolnummer: 24/01384
-
Hoge Raad 2026-03-06 ECLI:NL:HR:2026:373
Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/03876
-
Hoge Raad 2026-03-06 ECLI:NL:HR:2026:374
Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/03877
-
Hoge Raad 2026-03-06 ECLI:NL:HR:2026:371
Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/03871
-
Hoge Raad 2026-03-06 ECLI:NL:HR:2026:372
Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/03875
-
Hoge Raad 2026-03-06 ECLI:NL:HR:2026:367
Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/02630
-
Hoge Raad 2026-03-06 ECLI:NL:HR:2026:368
Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/02631
-
Hoge Raad 2026-03-06 ECLI:NL:HR:2026:361
Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR: 81.1 RO. Rolnummer: 24/04257
-
Hoge Raad 2026-03-06 ECLI:NL:HR:2026:333
Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR: 81.1 RO. Rolnummer: 25/00103
-
Hoge Raad 2026-03-06 ECLI:NL:HR:2026:359
Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO. Rolnummer: 25/02467
-
Hoge Raad 2026-03-06 ECLI:NL:HR:2026:354
Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/03437
-