Direct naar content gaan

HR arresten

  • 4 juni 2026
    • HR

      Hoge Raad 2026-06-12 ECLI:NL:HR:2026:934

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO. Rolnummer: 25/04159

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-12 ECLI:NL:HR:2026:922

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR: 81.1 RO. Rolnummer: 24/03545

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-12 ECLI:NL:HR:2026:923

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR: 81.1 RO. Rolnummer: 25/02193

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-12 ECLI:NL:HR:2026:931

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/02875

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-12 ECLI:NL:HR:2026:926

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO. Rolnummer: 25/02702

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-12 ECLI:NL:HR:2026:928

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO. Rolnummer: 25/04641

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-12 ECLI:NL:HR:2026:932

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/03389

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-12 ECLI:NL:HR:2026:927

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO. Rolnummer: 25/04079

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-12 ECLI:NL:HR:2026:933

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het verzoek om herziening n-o met toepassing van art. 80a RO. Rolnummer: 25/03574

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-12 ECLI:NL:HR:2026:929

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO. Rolnummer: 26/00275

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-12 ECLI:NL:HR:2026:925

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o met toepassing van art. 80a RO. Rolnummer: 25/02537

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-12 ECLI:NL:HR:2026:920

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR: 81.1 RO. Rolnummer: 24/02913

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-12 ECLI:NL:HR:2026:930

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/02736

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-12 ECLI:NL:HR:2026:935

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 25/04702

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-12 ECLI:NL:HR:2026:936

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 26/00002

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-12 ECLI:NL:HR:2026:937

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie n-o. Rolnummer: 26/00049

    • HR

      Bezwaar tegen bpm‑aangifte zonder tijdige betaling is niet‑ontvankelijk

      X (bv; belanghebbende) is ondernemer en verzoekt in haar bedrijfsuitoefening regelmatig om inschrijving van personenauto’s en motorrijwielen in het kentekenregister op naam van een ander. De Inspecteur heeft haar op grond van artikel 8 Wet bpm toestemming verleend om bpm per tijdvak op aangifte te voldoen. X heeft aangifte bpm gedaan over de tijdvakken maart en april 2021. De volgens de aangiften verschuldigde bedragen zijn niet betaald binnen één maand na afloop van die tijdvakken. X heeft in 2021 wel bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte. De Inspecteur heeft de bezwaren niet‑ontvankelijk verklaard omdat geen betaling had plaatsgevonden. De bpm‑bedragen zijn later in 2021 betaald. In geschil is of de Inspecteur de bezwaren terecht niet‑ontvankelijk heeft verklaard. Hof Arnhem‑Leeuwarden heeft geoordeeld dat de bezwaren terecht niet‑ontvankelijk zijn verklaard. Uit Hr 28 juni 2013, ECLI:NL:HR:2013:64, volgt niet dat de voldoening op aangifte plaatsvindt op het moment van het indienen van de aangifte wanneer nog niet is betaald. X heeft niet aannemelijk gemaakt dat uitstel van betaling was verleend. Omdat ten tijde van de uitspraken op bezwaar nog niet was betaald, ontbrak een voorwerp van bezwaar. De Hoge Raad bevestigt dit. Op grond van artikel 22j AWR vangt de bezwaartermijn aan op de dag na de voldoening. Artikel 6:10 Awb laat een voortijdig ingediend bezwaar alleen in stand als het verschuldigde bedrag tijdig wordt betaald. Nu niet binnen de wettelijke termijn is betaald, zijn de bezwaren zonder voorwerp. Het beroep op het Handvest van de grondrechten van de Europese Unie faalt. Het cassatieberoep van X wordt ongegrond verklaard. Rolnummer: 24/03202

    • HR

      Griffierecht € 371 voor bv belemmert toegang tot rechter niet

      X (bv; belanghebbende) heeft bezwaar gemaakt tegen de voldoening op aangifte van bpm van € 1.287. De Inspecteur heeft beslist dat niet te veel bpm is voldaan.~#~~#~X heeft daarop beroep ingesteld bij Rechtbank Gelderland. De griffier wees op het verschuldigde griffierecht van € 371. Omdat X dit niet heeft betaald, heeft de Rechtbank het beroep met toepassing van art. 8:54 Awb niet‑ontvankelijk verklaard. Het daartegen ingestelde verzet werd ongegrond verklaard.~#~~#~In geschil is of het vooraf betalen van € 371 griffierecht, gelet op het relatief lage financiële belang, in strijd is met art. 47 en art. 52 Handvest en of de redelijke termijn is overschreden.~#~~#~De Hoge Raad oordeelt dat de nationale regeling over griffierecht binnen de procedurele autonomie van lidstaten valt en in het algemeen de toegang tot de rechter niet onmogelijk of uiterst moeilijk maakt. Het heffen van griffierecht dient legitieme doelen, zoals het dekken van kosten van rechtspraak en het voorkomen van lichtvaardige procedures. De regeling is proportioneel, omdat bezwaar kosteloos is, vergoeding van griffierecht mogelijk is en bij betalingsonmacht toegang zonder betaling kan worden verleend. Uit het arrest Kantarev volgt niet dat griffierecht maximaal 4% van het financiële belang mag bedragen. Voor een rechtspersoon die niet in betalingsonmacht verkeert is € 371 daarom niet onevenredig, ook niet bij een gering financieel belang.~#~~#~De door de Hoge Raad ontwikkelde uitgangspunten voor de redelijke termijn zijn verenigbaar met art. 47 Handvest; van overschrijding is geen sprake. Er is ook geen noodzaak tot stellen van prejudiciële vragen. ~#~Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard. Rolnummer: 25/02830

    • HR

      Golfstatenbesluit geldt niet voor piloot in dienst van Turkse luchtvaartmaatschappij

      In de jaren 2015, 2016 en 2017 woonde X (belanghebbende) in Nederland en werkte hij als piloot bij voor de Turkse luchtvaartmaatschappij A.~#~In zijn aangiften IB/PVV over de jaren 2015 tot en met 2017 heeft X zijn loon van A aangegeven en aftrek ter voorkoming van dubbele belasting geclaimd volgens de vrijstellingsmethode. X heeft zich daarbij beroepen op het zogenoemde Golfstatenbesluit en gesteld dat dit beleid op grond van het gelijkheidsbeginsel ook op hem van toepassing is. De Inspecteur heeft de aanslagen aanvankelijk conform de aangiften vastgesteld, maar later navorderingsaanslagen opgelegd omdat volgens het verdrag de verrekeningsmethode geldt.~#~~#~In geschil is of het gelijkheidsbeginsel meebrengt dat het Golfstatenbesluit ook op X moet worden toegepast.~#~~#~De Hoge Raad oordeelt dat de staatssecretaris bij begunstigend beleid over belastingverdragen een grote beleidsvrijheid heeft om dit te beperken tot bepaalde verdragen of staten. Belastingverdragen zijn het resultaat van onderhandelingen en verschillen tussen verdragen vormen op zichzelf geen discriminatie. De staatssecretaris kon de goedkeuring in het Golfstatenbesluit daarom beperken tot de daarin genoemde Golfstaten zonder het gelijkheidsbeginsel te schenden. Het oordeel van het Hof berust op een onjuiste rechtsopvatting. Het middel over het ontbreken van een navorderingsbevoegdheid faalt.~#~~#~De Hoge Raad vernietigt de uitspraak van Hof Arnhem-Leeuwarden en verwijst de zaak naar Hof Den Bosch voor behandeling van de overige geschilpunten. Het principale beroep van de staatssecretaris is gegrond en het incidentele cassatieberoep van X is ongegrond.~#~Conform conclusie A-G Pauwels, ECLI:NL:PHR:2025:1043. Rolnummer: 24/03280

    • HR

      Geen herverdeling box 3 na onherroepelijke aanslagen ondanks verliesverrekening

      X en Y zijn gehuwd en elkaars fiscaal partner. Aan beiden zijn aanslagen IB/PVV 2015 opgelegd. Y heeft later een ondernemingsverlies geleden dat bij beschikking is vastgesteld en achterwaarts is verrekend met het inkomen uit werk en woning van Y in 2015, waardoor de aanslag van Y is verminderd.~#~~#~X en Y hebben daarna verzocht om herverdeling van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen voor 2015 op grond van artikel 2.17, lid 4, Wet IB 2001. De Inspecteur heeft meegedeeld dat dit niet mogelijk is omdat de aanslagen 2015 al onherroepelijk vaststonden. De verzoeken zijn aangemerkt als verzoeken om ambtshalve vermindering en afgewezen met toepassing van artikel 45aa, letter d, Uitvoeringsregeling IB 2001.~#~~#~In geschil is of herverdeling van de gezamenlijke grondslag sparen en beleggen nog mogelijk is nadat de aanslagen van beide fiscale partners onherroepelijk vaststaan.~#~~#~De Hoge Raad oordeelt dat geen sprake is van een bijzondere omstandigheid die afwijking van de wettelijke regeling rechtvaardigt. Dat de achterwaartse verliesverrekening bij Y tot een voor de partners nadelig gevolg leidt, maakt dit niet anders. De verdeling kan daarom niet meer worden gewijzigd nadat de aanslagen onherroepelijk vaststaan. Het beroep in cassatie van de Staatssecretaris wordt gegrond verklaard en het incidentele beroep ongegrond. De anders luidende uitspraak van Hof Den Bosch wordt vernietigd. ~#~Wegens overschrijding van de redelijke termijn ontvangen X en Y wel een immateriële schadevergoeding van € 500.~#~Conform conclusies A-G Koopman, ECLI:NL:PHR:2024:1133, ECLI:NL:PHR:2024:1134 en ECLI:NL:PHR:2024:1135. Rolnummer: 24/01291

    • HR

      Hof matigde immateriële schadevergoeding ten onrechte tot € 50; € 500 verschuldigd

      X (belanghebbende) heeft voor 2020 een aanslag waterschapsbelasting ontvangen van het Waterschap Amstel, Gooi en Vecht. De Heffingsambtenaar heeft het bezwaar ongegrond verklaard. Rechtbank Amsterdam heeft het beroep ongegrond verklaard. De Rechtbank heeft daarbij niet beslist op het verzoek van X om immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.~#~~#~In hoger beroep heeft X gesteld dat de Rechtbank een vergoeding had moeten toekennen omdat de redelijke termijn in eerste aanleg is overschreden. Hof Amsterdam heeft geoordeeld dat de redelijke termijn met afgerond een half jaar is overschreden en heeft daarom een immateriële schadevergoeding toegekend. Het Hof heeft het gebruikelijke tarief van € 500 per half jaar echter gematigd tot € 50. Volgens het Hof ging het om een inhoudelijk eenvoudige zaak met veelvuldig verworpen standaardklachten, een gering financieel belang en een beschikking met een korte geldingsduur, waardoor een vergoeding van € 500 zou leiden tot een evident ongerechtvaardigde overcompensatie.~#~~#~In geschil is de hoogte van de immateriële schadevergoeding wegens overschrijding van de redelijke termijn.~#~~#~De Hoge Raad oordeelt dat de klacht van X tegen de matiging slaagt. Op grond van HR 8 augustus 2025, ECLI:NL:HR:2025:1122 kan het standaardbedrag van € 500 per half jaar overschrijding niet op deze wijze worden gematigd. De overige klachten kunnen niet tot cassatie leiden en worden met toepassing van artikel 81, lid 1, Wet RO verworpen.~#~~#~De Hoge Raad stelt de vergoeding zelf vast. Omdat de redelijke termijn in eerste aanleg met ruim twee maanden is overschreden, heeft X recht op een immateriële schadevergoeding van € 500. Het beroep in cassatie is gegrond. Rolnummer: 24/03012

    • HR

      HR 81 RO; extra betalingen aan ex-partner niet aftrekbaar als onderhoudsverplichting

      Het huwelijk van X (belanghebbende) is in 2017 door echtscheiding ontbonden. Blijkens bankafschriften heeft X gedurende het jaar 2020 € 30.095 aan de ex-partner betaald. X heeft dat bedrag in de aangifte IB/PVV 2020 als aftrekbare uitgaven voor onderhoudsverplichtingen in aanmerking genomen. De Inspecteur heeft bij de aanslag € 3.600 (12 × € 300) in aftrek toegestaan. Rechtbank Den Haag heeft het bedrag aan aftrekbare uitgaven voor onderhoudsverplichtingen bepaald op € 300 per maand vermeerderd met indexatie maar heeft het beroep van X voor het overige ongegrond verklaard. In hoger beroep is in geschil of de betalingen die X in afwijking van het echtscheidingsconvenant aan zijn ex-echtgenote heeft gedaan, kwalificeren als periodieke uitkeringen en verstrekkingen als bedoeld in artikel 6.3, lid 1, onderdeel a dan wel f, Wet IB 2001. Dat is volgens Hof Den Haag niet het geval. Van gewekt vertrouwen is voorts geen sprake. Het hoger beroep is ongegrond. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen deze uitspraak op 12 juni 2026 ongegrond verklaard onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO. Rolnummer: 24/04525

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-05 ECLI:NL:HR:2026:833

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: Artikel 40, lid 2, Wet WOZ; indexeringspercentages die zijn toegepast op verkoopprijzen vergelijkingsobjecten; verwijzing naar ECLI:NL:HR:2026:297 Rolnummer: 24/03990

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-05 ECLI:NL:HR:2026:849

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR: 81.1 RO Rolnummer: 25/01604

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-05 ECLI:NL:HR:2026:829

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: Formeel belastingrecht, art. 8:73 Awb, Redelijke termijn, immateriële schadevergoeding. Rolnummer: 24/00611

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-05 ECLI:NL:HR:2026:831

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: Artikel 40, lid 2, Wet WOZ; indexeringspercentages die zijn toegepast op verkoopprijzen vergelijkingsobjecten; verwijzing naar ECLI:NL:HR:2026:297 Rolnummer: 24/03988

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-05 ECLI:NL:HR:2026:834

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: Artikel 40, lid 2, Wet WOZ; indexeringspercentages die zijn toegepast op verkoopprijzen vergelijkingsobjecten; verwijzing naar ECLI:NL:HR:2026:297 Rolnummer: 24/03991

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-05 ECLI:NL:HR:2026:832

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: Artikel 40, lid 2, Wet WOZ; indexeringspercentages die zijn toegepast op verkoopprijzen vergelijkingsobjecten; verwijzing naar ECLI:NL:HR:2026:297 Rolnummer: 24/03989

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-05 ECLI:NL:HR:2026:859

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR verklaart het beroep in cassatie ongegrond. Zie ook ECLI:NL:HR:2026:782 Rolnummer: 23/02782

    • HR

      Hoge Raad 2026-06-05 ECLI:NL:HR:2026:856

      Samenvatting van www.rechtspraak.nl: HR: 81.1 RO Rolnummer: 24/04076

Naar boven