HR arresten
-
4 januari 2026
-
-
Juiste toepassing BOR na ruziesplitsing; bewijslastverdeling
De moeder van X (belanghebbende) hield via B Beheer een belang van 49% in een tussenholding met diverse dochtervennootschappen die gehoor- en optiekcentra exploiteerden (Horen en Zien). In 2011 is de tussenholding gesplitst (ruziesplitsing) waarbij de deelnemingen in Horen werden toegedeeld aan de moeder en die in Zien aan de andere (indirecte) aandeelhouder (de neef van X, een opticien) in de tussenholding. X ontving in 2013 van zijn moeder alle aandelen in B Beheer. Hij verzocht om toepassing van de bedrijfsopvolgingsregeling (BOR). De Inspecteur verleende slechts een voorwaardelijke vrijstelling voor 49% van de waarde, omdat de moeder slechts voor 49% indirect belang had in de activiteiten ‘Horen’. Volgens de Inspecteur voldeed alleen dit deel aan de indirectebezitseis van vijf jaar. In deze tweede cassatieronde staat centraal of de activiteiten ‘Horen’ en ‘Zien’ één onderneming vormden en, zo niet, of artikel 9, lid 2, Uitv.reg. schenk en erfbelasting toch toepassing van de BOR op 100% mogelijk maakt. Verwijzingshof Arnhem-Leeuwarden oordeelde dat ‘Horen’ en ‘Zien’ aparte ondernemingen zijn en dat dus een nieuwe bezitstermijn is aangevangen door de ruziesplitsing van deze takken. De opgelegde aanslag is daarom correct, aldus het Hof. X bestrijdt dit oordeel in cassatie met vijf middelen. De Hoge Raad bevestigt dat X de bewijslast draagt voor zijn stelling dat sprake was van één onderneming. Het oordeel van het Hof dat dit niet aannemelijk is geworden, is juridisch juist en feitelijk voldoende gemotiveerd. Daardoor geldt dat de schenker door de splitsing een groter belang in ‘Horen’ verkreeg en in zoverre een nieuwe indirectebezitstermijn is aangevangen. Verder oordeelt de Hoge Raad dat artikel 9, lid 2, Uitv.reg. schenk en erfbelasting alleen de directebezitseis verzacht en niet de indirectebezitseis, zodat deze bepaling X niet helpt. Alle middelen falen, aldus de Hoge Raad. Het cassatieberoep van X wordt ongegrond verklaard. Rolnummer: 24/01608
-
HR 81 RO; Kostenberekening bij naheffingsaanslagen parkeerbelasting
Aan X (belanghebbende) is een naheffingsaanslag parkeerbelasting opgelegd. Bij de naheffing is een bedrag van € 65,30 aan kosten in rekening gebracht, waarin de parkeerbelastingverordening van de gemeente Den Haag voor het jaar 2021 voorziet. Hof Den Haag heeft verworpen de standpunten van X dat (i) dit bedrag onverbindend is omdat het maximumbedrag van € 65,30 voor het jaar 2021 op en dus niet vóór 1 september 2020 is bekendgemaakt in de Staatscourant, en (ii) de kostenberekening niet strookt met de voorschriften in artikel 2 Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen. De naheffingsaanslag parkeerbelasting is in stand gebleven. X heeft tegen dit oordeel ten aanzien van de kosten met vier middelen cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen deze uitspraak op 23 januari 2026 ongegrond verklaard onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO. Rolnummer: 24/02548
-
Recht op vergoeding bezwaarkosten wegens onjuiste grondslag BPM-berekening
X (belanghebbende) registreerde in 2018 een uit Duitsland afkomstige gebruikte personenauto in Nederland. Voor de BPM‑berekening liet X een taxatie uitvoeren en ging daarbij uit van een CO2‑uitstoot van 162 gram per kilometer en een historische nieuwprijs van € 53.262. De Inspecteur liet de auto hertaxeren bij DRZ en heeft een naheffingsaanslag opgelegd. Daarbij is de in artikel 10, lid 2, Wet BPM genoemde som gesteld op € 53.894 en werd uitgegaan van een CO2‑uitstoot van 153 gram per kilometer. In beroep erkende de Inspecteur dat deze CO2 waarde onjuist was en werd de naheffingsaanslag verlaagd. Rechtbank Den Haag heeft geoordeeld dat de vermindering niet voortkwam uit een door X aangevoerde grief in bezwaar, zodat geen recht bestaat op vergoeding van bezwaarkosten. Hof Den Haag heeft het oordeel bevestigd dat de vermindering van de naheffingsaanslag niet heeft plaatsgevonden wegens een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid. In cassatie is in geschil of de vermindering van de naheffingsaanslag voortvloeit uit een aan de Inspecteur te wijten onrechtmatigheid zodat recht bestaat op een vergoeding van de bezwaarkosten. De Hoge Raad oordeelt dat de Inspecteur bij het vaststellen van de naheffingsaanslag is uitgegaan van een onjuiste en te lage CO2-uitstoot. Dat vormt een aan de Inspecteur toe te rekenen onrechtmatigheid. De latere vermindering van de naheffingsaanslag is mede het gevolg van deze fout en staat los van nieuwe stellingen van X over de handelsinkoopwaarde. Het Hof heeft daarom ten onrechte geoordeeld dat geen recht bestaat op vergoeding van bezwaarkosten. Het cassatieberoep van X is gegrond. De Hoge Raad kent alsnog een vergoeding toe voor de kosten van rechtsbijstand in bezwaar. Verder wordt de staatssecretaris veroordeeld in de cassatieproceskosten en de Inspecteur in de kosten voor het Hof. Rolnummer: 24/00462
-
Coronagoedkeuring reiskosten geldt niet voor na 12 maart 2020 toegekende vergoedingen
In deze zaak oordeelt de Hoge Raad dat gemeenten geen beroep kunnen doen op de coronagoedkeuring voor vaste reiskostenvergoedingen die ná 12 maart 2020 zijn toegekend. De gemeente X (belanghebbende) had over juni 2021 loonheffingen afgedragen wegens overschrijding van de vrije ruimte, omdat werknemers hun Individueel Keuze Budget (IKB) pas na 12 maart 2020 hadden ingezet voor (aanvullende) vaste reiskostenvergoedingen. De gemeente stelt dat zij op basis van het Besluit noodmaatregelen coronacrisis van 14 april 2020 (Stcrt. 2020, 22293) gerechtvaardigd erop mocht vertrouwen dat deze vergoedingen onbelast konden blijven. Zowel Rechtbank Noord-Holland, Hof Amsterdam als de Hoge Raad volgen dit standpunt niet. De goedkeuring ziet uitsluitend op het ongewijzigd door laten lopen van vaste reiskostenvergoedingen die al vóór 13 maart 2020 waren toegekend. De bedoeling daarvan was te voorkomen dat bestaande vergoedingen door veranderde reispatronen belast zouden worden, niet om nieuwe toekenningen te faciliteren. Dat werknemers al vóór 13 maart 2020 een onvoorwaardelijk recht hadden op het IKB, maakt dit niet anders. Pas wanneer een werknemer expliciet kiest (bijvoorbeeld door een ‘vinkje’ in het systeem) ontstaat een recht op een vaste reiskostenvergoeding. Voor keuzes die na 12 maart 2020 zijn gemaakt, kan geen beroep worden gedaan op de coronagoedkeuring. Het cassatieberoep van de gemeente wordt ongegrond verklaard. Anders, conclusie A-G Pauwels, ECLI:NL:PHR:2025:323. Rolnummer: 24/02364
-
Hof mocht bij nieuwe berekening proceskostenvergoeding alleen puntwaarde aanpassen (1)
In deze BPM-zaak oordeelt de Hoge Raad dat Hof Den Bosch bij de nieuwe berekening van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase, alleen de waarde per punt had mogen aanpassen en niet de door Rechtbank Zeeland-West-Brabant vastgestelde wegingsfactor en het aantal proceshandelingen, nu daarover niet was geklaagd. Gelet hierop is het cassatieberoep van X (bv; belanghebbende) gegrond. Ten aanzien van de vergoeding van de proceskosten van de cassatieprocedure wordt X in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op hem rustende last om te bewijzen dat zijn geval met het oog op die proceskostenvergoeding is aan te merken als een ‘bijzonder geval’. De Staat wordt daarna in de gelegenheid gesteld om daarop te reageren. De zaak wordt aangehouden. Rolnummer: 24/00878
-
Juiste naheffing BPM ter zake van uit VS afkomstige auto; vergoeding griffierecht
X (bv; belanghebbende) heeft op 4 oktober 2017 van een in de VS gevestigde autohandelaar een auto gekocht van het merk Chrysler, type Pacifica Touring L. De auto beschikt over een Duitse ‘Zulassung’ en een Duits kenteken. Aan X is ter zake van de auto een naheffingsaanslag BPM opgelegd van € 12.508. De Inspecteur heeft ter zitting van Hof Den Haag geloofwaardig verklaard dat er een bestaande praktijk is waarbij om budgettaire redenen op Nederlands grondgebied een Duitse keurmeester de auto keurt ter verkrijging van een Duitse ‘Zulassung’ om vervolgens de inschrijving in Nederland (vrijwel) direct in orde te maken. X heeft dit niet weersproken en evenmin in de loop van de procedure stukken ingebracht die zijn standpunt kunnen schragen dat de auto in Duitsland heeft rondgereden. De auto is rechtstreeks afkomstig uit een derde land, zodat artikel 110 VWEU toepassing mist. Volgens het Hof heeft X niet aannemelijk gemaakt dat het door haar opgevoerde referentievoertuig vergelijkbaar is en ook niet dat de door haar gestelde schade aanwezig is. Het Hof sluit aan bij de waardebepaling door DRZ. Dit betekent dat het hoger beroep van de Inspecteur gegrond is. De naheffingsaanslag is terecht en naar het juiste bedrag opgelegd. Tegen dit oordeel heeft X cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad oordeelt met toepassing van artikel 81 RO dat het cassatieberoep niet leidt tot vernietiging van de uitspraak van het Hof voor zover dit cassatieberoep de juistheid van de opgelegde naheffingsaanslag betreft. Het cassatieberoep is wel gegrond uitsluitend voor wat betreft de beslissing over de vergoeding van het griffierecht voor de beroepsfase. Rolnummer: 23/04473
-
HR 80a RO; Juiste NiNbi-beschikking; privacyrechten niet geschonden
X (belanghebbende) heeft de Nederlandse nationaliteit. In 2020 woonde X tot 1 juli in België en vanaf 1 juli 2020 in Nederland. Hij ontving in 2020 een AOW-uitkering en een pensioenuitkering van een pensioen-bv, waarvan hij 100% aandeelhouder is. De Inspecteur heeft een NiNbi-beschikking gegeven. Het totale wereldinkomen is daarin vastgesteld op € 50.258 en het niet in Nederland belastbaar inkomen (NiNbi) op € 29.827. X heeft bij Rechtbank Den Haag diverse gronden aangevoerd op grond waarvan de Inspecteur de NiNbi-beschikking onterecht aan X zou hebben gegeven. Hij heeft ten aanzien van NiNbi-beschikkingen voor eerdere jaren procedures gevoerd tot aan de Hoge Raad en is daarbij in het ongelijk gesteld. Er is volgens de Rechtbank geen reden om voor dit jaar anders te oordelen. De NiNbi-beschikking is terecht aan X gegeven en de privacyrechten van X zijn niet geschonden. Dit oordeel wordt in hoger beroep door Hof Den Haag bevestigd. Verder verwerpt het Hof de stelling van X dat inbreuk wordt gemaakt op zijn eigendomsrecht in de zin van artikel 1 EP. De vaststelling van een NiNbi-beschikking op zichzelf beschouwd, kan niet leiden tot een inbreuk op het eigendomsrecht. Het hoger beroep is ongegrond. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen deze uitspraak op 23 januari 2026 ongegrond verklaard onder verwijzing naar artikel 80a Wet RO. Rolnummer: 25/02773
-
Naheffingsaanslag parkeerbelasting; kostenberekening en publicatietermijn bevestigd
In deze zaak oordeelt de Hoge Raad dat een naheffingsaanslag parkeerbelasting terecht en naar het juiste bedrag is opgelegd. Centraal staan de vragen of de verordening van de gemeente Den Haag onverbindend is omdat het maximale kostenbedrag voor 2021 niet vóór 1 september 2020 was bekendgemaakt, en of de kostenberekening van de gemeente Den Haag voldeed aan artikel 2 van het Besluit gemeentelijke parkeerbelastingen. Volgens de Hoge Raad is de publicatiedatum geen fatale termijn ter bescherming van belastingplichtigen, maar dient die om gemeenten in staat te stellen hun verordeningen tijdig aan te passen. Bekendmaking op 1 september of later staat toepassing in het daaropvolgende kalenderjaar dus niet in de weg. Voorts bevestigt de Hoge Raad de ruime uitleg van Hof Den Haag van de verhaalbare kosten bij naheffingsaanslagen parkeeerbelasting. Op grond van het Besluit mogen gemeenten kosten doorberekenen die meer dan zijdelings samenhangen met de inning van niet-betaalde parkeerbelastingen. Daaronder vallen ook kosten van parkeerautomaten en parkeerapps, omdat deze direct zijn verbonden met de informatieverwerking en controle (zoals kentekenregistratie en scanauto’s). Het is niet vereist dat kosten uitsluitend zijn gemaakt voor het opleggen van de naheffingsaanslag; ook kosten die samenhangen met de invordering mogen worden meegenomen. Ten slotte oordeelt de Hoge Raad dat bij de vaststelling van het kostenbedrag de gemeente mag uitgaan van een raming van het aantal inbare naheffingsaanslagen. Dat sluit aan bij het kostendekkende karakter van de regeling. Overschrijding van de kostenlimiet leidt slechts tot (gedeeltelijke) onverbindendheid als het de gemeente vooraf duidelijk had moeten zijn dat de ramingen ondeugdelijk waren én de overschrijding 10% of meer bedraagt. De uitspraak van het Hof wordt bevestigd. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard. Conform conclusie A-G Pauwels, ECLI:NL:PHR:2024:1113. Rolnummer: 23/04460
-
HR 81 RO; Eindheffing voor reiskostenvergoedingen tijdens coronapandemie
X (belanghebbende) is een gemeente. In de Cao Gemeenten 2020 is bepaald dat een werknemer recht heeft op een Individueel Keuzebudget (hierna: IKB). Het IKB is een bedrag per maand dat de werknemer kan besteden voor nader genoemde doelen, waaronder een aanvullende reiskostenvergoeding. De werknemers moeten kun keuze kenbaar maken middels het plaatsen van een vinkje in het systeem van een HR-portaal. X heeft gedurende de lockdown wegens de coronapandemie de aanvullende reiskostenvergoeding doorbetaald. Op deze betalingen is de eindheffing toegepast. De staatssecretaris heeft een besluit gepubliceerd betreffende reiskostenvergoedingen gedurende de pandemie (Besluit noodmaatregelen coronacrisis, besluit van 14 april 2020, 2020/6767, Stcrt. 2020, 22293). De goedkeuring van het besluit werkt terug tot en met 12 maart 2020. Partijen houdt verdeeld of de goedkeuring die is vervat in het besluit, meebrengt dat ook de reiskostenvergoedingen zijn vrijgesteld voor zover daarvoor het IKB is aangewend en de keuze daarvoor is gemaakt na 12 maart 2020. Dat is volgens Rechtbank Noord-Holland niet het geval. Vergoedingen die ná 12 maart 2020 zijn toegekend, vallen niet onder de goedkeuring. Voor die vergoedingen kon immers – als gevolg van het feit dat Nederland vanaf 12 maart 2020 gedeeltelijk in lockdown ging – rekening worden gehouden met de mate van thuiswerken vanaf het moment van toekenning. Voorts bestond nog geen onvoorwaardelijk recht zolang geen keuze was gemaakt door middel van het zetten van het vinkje in het systeem. Het andersluidende betoog van X faalt. De verschuldigde afdracht eindheffing blijft voor de reiskostenvergoedingen in stand. Dit oordeel wordt door Hof Amsterdam bevestigd. Het hoger beroep van X wordt ongegrond verklaard. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen deze uitspraak op 23 januari 2026 ongegrond verklaard onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO. Rolnummer: 24/02365
-
Werktuigenvrijstelling niet van toepassing op gehele PV-installatie (zonnepark)
Deze zaak gaat over de toepassing van de zogenoemde werktuigenvrijstelling bij de bepaling van de WOZ-waarde van een fotovoltaïsche installatie bedoeld om zonlicht om te zetten in energie (de PV-installatie). De PV-installatie staat op een dak van een distributiecentrum dat in eigendom is van een ander dan X (belanghebbende), die niettemin eigenaar van de PV-installatie is op grond van een recht van opstal. De werktuigenvrijstelling geldt voor ‘werktuigen die van een onroerende zaak kunnen worden afgescheiden zonder dat beschadiging van betekenis aan die werktuigen wordt toegebracht en die niet op zichzelf als gebouwde eigendommen zijn aan te merken’. In deze zaak staat de laatste voorwaarde centraal (aangeduid als de nozge-voorwaarde). Bij de vastgestelde WOZ-waarde is de werktuigenvrijstelling toegepast op bepaalde onderdelen van de PV-installatie, maar niet op de gehele PV-installatie. De vraag is of de werktuigenvrijstelling op de gehele PV-installatie van toepassing is. Hof Den Haag heeft deze vraag ontkennend beantwoord. Het Hof heeft geoordeeld dat de PV-installatie op zichzelf als een gebouwd eigendom is aan te merken, omdat deze naar aard en inrichting bestemd is om duurzaam ter plaatse te blijven. Gelet hierop is niet aan de nozge-voorwaarde voldaan, aldus het Hof. X heeft met één middel cassatieberoep ingesteld, maar de Hoge Raad oordeelt dat dit middel faalt. Het oordeel van het Hof is juist. Conform conclusie A-G Pauwels, ECLI:NL:PHR:2025:494. Rolnummer: 24/02816
-
Hof kende in WOZ-zaak ten onrechte geen proceskostenvergoeding toe
In deze WOZ-zaak heeft Hof Den Haag het hoger beroep van de Heffingsambtenaar ongegrond verklaard, maar ten onrechte geen proceskostenvergoeding aan X (belanghebbende) toegekend. De Hoge Raad oordeelt dat deze klacht terecht is. Als het hoger beroep van een bestuursorgaan ongegrond is, geldt als hoofdregel dat dit orgaan wordt veroordeeld in de proceskosten van de belanghebbende. Het Hof heeft niet gemotiveerd waarom hiervan is afgeweken, waardoor de uitspraak op dit punt onvoldoende is gemotiveerd en niet in stand kan blijven. De Hoge Raad verwerpt het incidentele cassatieberoep van het dagelijks bestuur van de Belastingsamenwerking Gouwe-Rijnland (het Dagelijks Bestuur) met toepassing van artikel 81 Wet RO. De Hoge Raad doet de zaak zelf af en veroordeelt de Heffingsambtenaar alsnog in de proceskosten van het principale hoger beroep. Daarnaast wordt het Dagelijks Bestuur veroordeeld in de kosten van het principale cassatieberoep van X. Voor het incidentele cassatieberoep van het Dagelijks Bestuur ziet de Hoge Raad geen aanleiding voor een proceskostenveroordeling. Ten aanzien van de hoogte van de proceskostenvergoeding in cassatie moet rekening worden gehouden met de Wet herwaardering proceskostenvergoedingen WOZ en bpm (in werking sinds 2024). Het enkele feit dat X heeft geprobeerd de zaak praktisch op te lossen via een verzoek tot aanvulling van de Hofuitspraak, maakt dit geen 'bijzonder geval' in de zin van die wet. De Hoge Raad kan op dit moment nog niet vaststellen of sprake is van een bijzonder geval op andere gronden, omdat het dossier daarvoor onvoldoende informatie bevat. X krijgt daarom de gelegenheid nadere gegevens te verstrekken, waarna het Dagelijks Bestuur mag reageren. De Hoge Raad houdt iedere verdere beslissing aan in afwachting van deze nadere ronde. Rolnummer: 24/04526
-
HR 81 RO: Verzoek om teruggaaf omzetbelasting was verzoek om ambtshalve vermindering
Op 20 december 2011 heeft X (belanghebbende) aan B een bedrag van € 249.900 gefactureerd in verband met de verkoop van drie bussen. In de factuur is een bedrag van € 39.900 aan omzetbelasting begrepen. X heeft de omzetbelasting aangegeven in de aangifte over het tijdvak december 2011. B heeft het bedrag van € 39.900 aan omzetbelasting als voorbelasting in aftrek gebracht. Per 24 september 2013 is B failliet verklaard. Op 24 juni 2019 is het openbaar faillissementsverslag verschenen. Met dagtekening 30 april 2019 is in verband met de factuur door X een creditnota opgesteld geadresseerd aan B. In de creditnota wordt vermeld dat deze is opgemaakt omdat de voertuigen niet door B zijn afgenomen. Op 6 mei 2019 heeft X een suppletieaangifte omzetbelasting ingediend met betrekking tot het tijdvak april 2019. X vraagt in de suppletieaangifte een bedrag van € 39.900 aan omzetbelasting terug. De suppletieaangifte is aangemerkt als bezwaar tegen de eigen aangifte over april 2019. Het bezwaar is kennelijk ongegrond verklaard. In geschil is of X recht heeft op een teruggaaf van omzetbelasting tot het voornoemde bedrag. Ter zitting van Rechtbank Zeeland-West-Brabant is vastgesteld dat de suppletieaangifte van X dient te worden aangemerkt als een verzoek om teruggaaf van omzetbelasting als bedoeld in artikel 29 Wet OB 1968. De Rechtbank oordeelt dat het verzoek te laat is gedaan. De Inspecteur had het verzoek van X niet-ontvankelijk moeten verklaren omdat het te laat is ingediend. Op het hoger beroep van X oordeelt Hof Den Bosch dat het verzoek om teruggaaf ter zake van de creditfacturen een verzoek om ambtshalve vermindering is, waartegen geen bezwaar en beroep openstaat. X dient zich te wenden tot de burgerlijke rechter. De Hoge Raad heeft het beroep in cassatie tegen deze uitspraak op 16 januari 2026 verworpen onder verwijzing naar artikel 81 Wet RO. Rolnummer: 23/04229
-
Douanewaarde bij antidumping; bewijsvoering verwerping leveringsvoorwaarde DDP
Op naam en voor rekening van een bv, waarvan X (bv; belanghebbende) de rechtsopvolger is, is aangifte gedaan voor het brengen in het vrije verkeer van bevestigingsmiddelen. De in de aangifte vermelde douanewaarde is de overeengekomen prijs onder leveringsconditie Delivered Duty Paid (leveringsvoorwaarde DDP). Op grond van de aangegeven preferentiële oorsprong Indonesië zijn douanerechten naar een tarief van 0% verschuldigd. De Inspecteur heeft achteraf het standpunt ingenomen dat de oorsprong van de bevestigingsmiddelen China is en heeft een utb opgelegd voor douanerechten en antidumpingrechten. Voor Hof Amsterdam was in geschil de hoogte van de douanewaarde van de bevestigingsmiddelen als grondslag voor de berekening van de verschuldigde douanerechten en antidumpingrechten. Daarbij stond centraal of de Inspecteur mocht stellen dat in werkelijkheid geen DDP was overeengekomen en of hij na het opleggen van uitnodigingen tot betaling alsnog de procedure van artikel 140 UDWU mocht volgen en het resultaat daarvan mocht gebruiken. Volgens het Hof is X douanerechten en antidumpingrechten verschuldigd, maar is de Inspecteur bij de berekening van de in de bestreden utb vermelde bedragen uitgegaan van een te hoge douanewaarde. De staatssecretaris heeft met twee middelen cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad oordeelt dat de Inspecteur niet uitsluitend is aangewezen op de artikel 140 UDWU procedure om te betogen dat feitelijk geen DDP is overeengekomen. In zoverre is het Hof van een onjuiste rechtsopvatting uitgegaan. Wel bevestigt de Hoge Raad dat de Inspecteur na aanvang van een gerechtelijke procedure geen artikel 140 UDWU procedure meer mag gebruiken ter onderbouwing van een reeds opgelegde utb. Het cassatieberoep is gegrond. De zaak wordt teruggewezen voor de beoordeling van het standpunt van de Inspecteur dat aannemelijk is dat X met de Indonesische onderneming in werkelijkheid niet de leveringsvoorwaarde DDP is overeengekomen. Hierbij verdient opmerking dat bij de beoordeling van dat standpunt niet de gegevens en documenten die de Inspecteur in het kader van de op de voet van artikel 140 van de UDWU verrichte procedure van X heeft verkregen, als bewijsmateriaal mogen worden gebruikt. Rolnummer: 22/01209
-
Verhoging belastingrente voor de vennootschapsbelasting naar 8% is onverbindend
De bij het Besluit belasting- en invorderingsrente (Bbi) per 1 januari 2022 naar 8% verhoogde belastingrente voor de vennootschapsbelasting is onverbindend omdat de desbetreffende bepaling van het Bbi in strijd is met het evenredigheidsbeginsel en het gelijkheidsbeginsel. Als gevolg hiervan moet die bepaling buiten toepassing blijven. Dat heeft de Hoge Raad op 16 januari 2026 geoordeeld. Per 1 januari 2022 is het belastingrentepercentage voor de vennootschapsbelasting op grond van het Bbi verhoogd naar de wettelijke handelsrente, met een minimum van 8%. Voor andere belastingen geldt een lager rentepercentage. In de voorliggende zaak kreeg een besloten vennootschap bij een voorlopige aanslag vennootschapsbelasting 8% belastingrente in rekening gebracht. Rechtbank Noord-Nederland heeft de betreffende bepaling uit het Bbi onverbindend verklaard wegens strijd met algemene rechtsbeginselen, met name het evenredigheidsbeginsel. Tegen dit oordeel heeft de staatssecretaris rechtstreeks cassatieberoep (sprongcassatie) ingesteld bij de Hoge Raad en de zaken aangewezen als massaal bezwaar. Voor de belastingkamer van de Hoge Raad is deze zaak de eerste waarin de zogenoemde amicus-procedure is gebruikt. In totaal zijn 149 reacties ontvangen en gepubliceerd. Volgens de Hoge Raad blijkt uit de wetsgeschiedenis dat de verhoging primair een budgettair doel diende. Een lastenverzwaring die uitsluitend of overwegend budgettair is, mag niet zonder goede rechtvaardiging slechts één groep belastingplichtigen treffen. De Hoge Raad stelt vast dat vennootschapsbelastingplichtigen en andere belastingplichtigen voor de berekening van belastingrente als gelijke gevallen moeten worden beschouwd en dat geen redelijke rechtvaardiging bestaat om alleen voor de vennootschapsbelasting een hoger rentepercentage te hanteren. Daarom verklaart de Hoge Raad het cassatieberoep ongegrond en de verhoging tot 8% onverbindend wegens strijd met het evenredigheids- en gelijkheidsbeginsel. In dit geval moet de belastingrente worden berekend tegen 4%. Voor andere gevallen geldt voortaan het algemene Bbi-percentage (minimaal 4%; vanaf 2024: 4,5%), waarmee ongefundeerde selectieve lastenverzwaring wordt voorkomen. Conform conclusie A-G Koopman, ECLI:NL:PHR:2025:1044. Rolnummer: 24/04619
-
Renteaftrek terecht beperkt bij kunstmatige concernfinanciering
X (bv; belanghebbende) financierde in 2007 een overname binnen het concern met leningen van een Belgische groepsvennootschap. De leningen waren vormgegeven tegen marktconforme voorwaarden. De Inspecteur heeft renteaftrek geweigerd op grond van artikel 10a Wet VpB 1969 omdat sprake zou zijn van een volstrekt kunstmatige constructie gericht op belastingbesparing. X heeft bij Hof Arnhem-Leeuwarden vijf grieven aangevoerd: - De over de jaren 2002 tot en met 2006 op lening III verschuldigde rente komt gelet op artikel VIIIc Wet werken aan winst ten laste van de belastbare winst van het onderhavige jaar (2007); - De schulden uit hoofde van de leningen houden geen verband met een rechtshandeling als vermeld in artikel 10a Wet VpB 1969; - Aan die schulden liggen in overwegende mate zakelijke overwegingen ten grondslag in de zin van artikel 10a, lid 3, aanhef en letter a, Wet VpB 1969; - Artikel 10a Wet VpB 1969 is in strijd met de in het VWEU neergelegde verdragsvrijheden; - Artikel 10a Wet VpB 1969 maakt inbreuk op het Europeesrechtelijke rechtszekerheidsbeginsel. Het Hof heeft alle grieven verworpen en het hoger beroep ongegrond verklaard. X voert in cassatie zes middelen aan. De Hoge Raad heeft prejudiciële vragen gesteld aan het HvJ na ontstane verwarring door het arrest Lexel (HvJ 20 januari 2021, C-484/19, ECLI:EU:C:2021:34). De vragen zijn op 4 oktober 2024 door het HvJ beantwoord (arrest X bv, C-585/22, ECLI:EU:C:2024:822). In dit eindarrest volgt de Hoge Raad het HvJ dat artikel 10a Wet VpB 1969 verenigbaar is met artikel 49 VWEU. De regeling is gerechtvaardigd ter bestrijding van belastingontwijking en volstrekt kunstmatige constructies. Dat leningen tegen marktconforme voorwaarden zijn aangegaan sluit niet uit dat zij kunstmatig zijn. Doorslaggevend is of fiscale motieven overheersen en of de lening economische realiteit mist. Het Hof heeft in casu feitelijk vastgesteld dat de Belgische vennootschap in deze financiering slechts als doorgeefluik fungeerde en dat belastingbesparing de doorslaggevende reden was. Het Hof heeft terecht op grond van artikel 10a Wet VpB 1969 de renteaftrek geweigerd. Het oordeel geeft niet blijk van een onjuiste rechtsopvatting. Het cassatieberoep wordt ongegrond verklaard. Rolnummer: 20/03948 bis
-
Hoge Raad publiceert weer 150 oude (mijlpaal)arresten
De Hoge Raad publiceert sinds december 2019 'oude' (mijlpaal) arresten inclusief de bijbehorende conclusies van de advocaten-generaal. Het gaat om arresten van vóór het jaar 2000. De Hoge Raad heeft thans weer 150 oude arresten gepubliceerd (67 civiele arresten, 21 strafarresten en 62 fiscale arresten). In totaal zijn sinds december 2019 al 1625 oude arresten gepubliceerd op rechtspraak.nl. De Hoge Raad gaat de komende tijd verder met het digitaliseren van de belangrijkste oude arresten. In de gepubliceerde lijsten zijn de per 9 januari 2026 gepubliceerde arresten groen gearceerd. De overige arresten zijn eerder gepubliceerd. De lijsten zijn uitgebreid met de ECLI-nummers van de conclusies en zaaknummers. Rolnummer: geen
-
-
0 januari 2026
-
Hof trad buiten grenzen rechtsstrijd bij berekening proceskostenvergoeding
In deze BPM-zaak heeft Hof Den Bosch geoordeeld dat Rechtbank Zeeland-West-Brabant is uitgegaan van het verkeerde bedrag per punt (€ 541) voor de proceskostenvergoeding (vgl. HR 27 mei 2022, ECLI:NL:HR:2022:752). Het heeft de proceskostenvergoeding opnieuw vastgesteld. Ervan uitgaande dat de enige reden voor toekenning van de proceskostenvergoeding was gelegen in het feit dat de redelijke termijn was overschreden heeft het Hof de proceskostenvergoeding vastgesteld op € 218,75, uitgaande van 1 punt, wegingsfactor 0,25 en een waarde per punt van € 875. Dit betekent dat de door de Rechtbank vastgestelde vergoeding niet te laag is vastgesteld, aldus het Hof. In cassatie bestrijdt X het oordeel van het Hof over de hoogte van de proceskostenvergoeding voor de beroepsfase. Volgens de klachten had het Hof moeten uitgaan van twee punten zoals de Rechtbank heeft gedaan, en had het Hof ten minste wegingsfactor 0,5 moeten hanteren. Deze klachten slagen. Nu de Inspecteur daarover niet had geklaagd, mocht het Hof de procekostenvergoeding voor de beroepsfase, uitgaande van de juiste waarde per punt, niet in het nadeel van X wijzigen door ambtshalve de door de Rechtbank vastgestelde wegingsfactor voor het gewicht van de zaak te verlagen en het in aanmerking te nemen aantal proceshandelingen te verminderen (vgl. HR 14 februari 2025, ECLI:NL:HR:2025:243, rechtsoverweging 3.3.2, en HR 25 april 2025, ECLI:NL:HR:2025:673, rechtsoverweging 3.2). Het cassatieberoep is gegrond. Ten aanzien van de vergoeding van de proceskosten van de cassatieprocedure wordt X, gelet op het bedrijfsmodel in 2024 van de onderhavige gemachtigde, niet in de gelegenheid gesteld nadere gegevens te verstrekken ter voldoening aan de op hem rustende last om te bewijzen dat zijn geval is aan te merken als een ‘bijzonder geval’. De Hoge Raad berekent de vergoeding van de proceskosten van deze cassatieprocedure zonder inachtneming van de WHpkv. Rolnummer: 24/00911
-
-
4 december 2025
-
Renteaftrek in private-equity-overnamestructuur; fraus legis
Tweede cassatieberoep na uitspraak verwijzingshof Den Haag 30 augustus 2023, 22/00763, ECLI:NL:GHDHA:2023:1820, NLF 2023/2688. X (bv; belanghebbende) is opgericht op 27 juli 2010. De enig aandeelhouder van X was Z (Sarl), een op 21 juli 2010 naar Luxemburgs recht opgerichte en feitelijk in Luxemburg gevestigde vennootschap. Gedurende het boekjaar 2010/2011 is X de moedermaatschappij van een fiscale eenheid, die onder meer bestaat uit Q. Op het moment van voeging in de fiscale eenheid met X was Q reeds gevoegd in een fiscale eenheid met een aantal dochtermaatschappijen. De tot deze fiscale eenheid behorende vennootschappen stonden bekend onder de naam T-groep. Naast het plaatsen van koffieautomaten en dergelijke bij diverse bedrijven, produceert de T-groep koffie. Met het oog op de overname van Q heeft Z een bedrag van € 43.000.000 gestort op de aandelen in X en heeft X voor een bedrag van € 634.855.232 aan geldleningen aangetrokken van Z. Deze aandeelhouderslening is vastgelegd in een overeenkomst van 14 oktober 2010. De Inspecteur heeft de in de aangifte vpb 2010/2011 (en volgende jaren) geclaimde aftrek van de rente op de aandeelhouderslening niet toegestaan. De rentecorrectie bedraagt voor het onderhavige boekjaar € 45.256.000. Na verwijzing is niet langer in geschil dat de aandeelhouderslening civielrechtelijk moet worden beschouwd als lening, alsmede dat geen sprake is van een schijnlening. Na verwijzing door de Hoge Raad (15 juli 2022, 20/02096, ECLI:NL:HR:2022:1086, NLF 2022/1433) is bovendien niet langer in geschil dat een bedrag van € 37.820.406 van het totale bedrag aan rente van € 45.256.000 in het onderhavige boekjaar niet aftrekbaar is omdat de aandeelhouderslening kwalificeert als een zogenoemde onzakelijke lening. Uitsluitend is nog in geschil of de aftrek van het resterende rentebedrag van € 7.435.594 in strijd is met doel en strekking van de Wet VpB 1969 als geheel. Verwijzingshof Den Haag heeft geoordeeld dat X in fraudem legis heeft gehandeld. De Inspecteur heeft evenwel ten onrechte de rente op de aandeelhouderslening van aftrek uitgesloten voor zover die is aangewend voor de herfinanciering van bestaande schulden. X heeft recht op een bedrag aan renteaftrek ter hoogte van € 2.639.636, aldus het verwijzingshof. Tegen dit oordeel hebben beide partijen cassatieberoep ingesteld. X stelt dat het verwijzingshof er ten onrechte aan voorbij is gegaan dat uit het Spilfunctie-arrest (HR 3 maart 2023, 21/00299, ECLI:NL:HR:2023:330) volgt dat de renteaftrek niet alsnog op basis van fraus legis geweigerd kan worden nu, zoals de Hoge Raad in de eerste cassatieronde heeft vastgesteld, X het in artikel 10a, lid 3, onderdeel a, Wet VpB 1969 verlangde tegenbewijs van zakelijkheid heeft geleverd. Verder acht X onjuist of niet-begrijpelijk gemotiveerd dat haar geval aan de acht kenmerken van de zaak Hunkemöller (HR 16 juli 2021, 19/02596, ECLI:NL:HR:2021:1152) beantwoordt. De staatssecretaris stelt dat het verwijzingshof ten onrechte een deel van de resterende 2,5%-rente nog wel aftrekbaar heeft geacht. De Hoge Raad verklaart beide cassatieberoepen echter ongegrond. Conform conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:PHR:2024:182. Rolnummer: 23/03961
-
Vertrouwen op adviseur vereist tijdige aanlevering van informatie
X (belanghebbende) is een fiscale eenheid voor de omzetbelasting waarvan tot oktober 2017 drie bv’s deel uitmaakten die chemische grondstoffen verhandelden. De bestuurder verzorgde de facturatie en betaalde omzetbelasting, terwijl een intermediair de aangiften opstelde. In 2014 diende X in meerdere maanden nihilaangiften in, terwijl tegelijkertijd omzetbelasting op verkoopfacturen was vermeld zonder deze op aangifte te voldoen. In geschil is of X opzettelijk te weinig omzetbelasting op aangifte heeft betaald. X stelt dat de bestuurder op de expertise van de intermediair vertrouwde. De Inspecteur stelt dat sprake is van (voorwaardelijk) opzet omdat de bestuurder wist dat omzetbelasting verschuldigd was en de relevante facturen niet tijdig aan de intermediair verstrekte. Hof Den Bosch heeft geoordeeld dat de Inspecteur niet overtuigend had aangetoond dat X opzettelijk of voorwaardelijk opzettelijk heeft gehandeld. Het Hof achtte het mogelijk dat de bestuurder volledig afging op de intermediair en geen bewuste rol speelde in het aangifteproces. Tegen dit oordeel heeft de staatssecretaris cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad stelt voorop dat een belastingplichtige op een adviseur mag vertrouwen indien deze deskundig is en alle benodigde informatie tijdig is verstrekt. Laat de belastingplichtige na om deze informatie tijdig aan te leveren, dan kan niet op de juistheid van de aangifte worden vertrouwd en kan sprake zijn van grove schuld of opzet. De Hoge Raad oordeelt dat de Inspecteur gemotiveerd heeft gesteld dat X zes verkoopfacturen niet tijdig aan de intermediair heeft verstrekt. Het Hof heeft onvoldoende gereageerd op deze essentiële stelling en daarmee zijn oordeel ontoereikend gemotiveerd. Het Hof had moeten onderzoeken of de informatie tijdig is verstrekt, omdat dit bepalend is voor de vraag of X mocht vertrouwen op de aangiften en voor de beoordeling van (voorwaardelijk) opzet. Het cassatieberoep wordt gegrond verklaard. Verwijzing volgt voor onderzoek naar de tijdige verstrekking van de facturen en de mogelijke aanwezigheid van opzet. De redelijke termijn in cassatie is overschreden; het verwijzingshof moet bij een resterende boete beoordelen of verdere vermindering is vereist. Rolnummer: 23/04352
-
Verrekening voorvoegingsverlies toegestaan; geen fraus legis
X (bv; belanghebbende) is de moedervennootschap van een fiscale eenheid. In 2010 leed zij een verlies van € 2 miljoen. X had ook dochters buiten de fiscale eenheid, waaronder [A] bv ([A] Oud), die winstgevend was. Op 19 december 2013 werd [A] Oud alsnog opgenomen in de fiscale eenheid. Op 3 februari richtte X [A] Nieuw bv ([A] Nieuw) op, die direct werd opgenomen in de fiscale eenheid. [A] Nieuw werd binnen de eenheid verhangen en naast [A] Oud gehouden. Op 23 maart 2015 fuseerde [A] Oud juridisch met [A] Nieuw als verkrijgster, waardoor de onderneming van [A] Oud werd overgenomen door [A] Nieuw. Volgens artikel 18, lid 1, Besluit FE 2003 werd de fiscale eenheid geacht niet te zijn verbroken met [A] Oud. In geschil is de verrekening van het voorvoegingsverlies van X uit 2010 met de winsten behaald door [A] Nieuw na de voeging in 2015 en 2016, die volledig zijn behaald met de onderneming van [A] Oud. Rechtbank Gelderland oordeelde in het voordeel van X: verrekening is mogelijk, afschrijving is niet verplicht. Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelde ook dat verrekening mogelijk is, maar afschrijving verplicht is op basis van de tekst van artikel 5, lid 4, Besluit FE 2003 en artikel 15ae, lid 1, onderdeel c, Wet VpB 1969. Het Hof concludeerde dat artikel 18 Besluit FE 2003 niet van toepassing is omdat [A] Oud verdwijnt bij de fusie, en artikel 18, lid 2, Besluit FE 2003 betrekking heeft op voorvoegingsverliezen van de verdwijner, die in dit geval niet bestaan. Het Hof oordeelde dat afschrijving op goodwill verplicht is volgens artikel 15ah, lid 2, onderdeel a, Wet VpB 1969, omdat dit overeenkomt met de strekking van de bepaling dat stille reserves die bij de overdrager zijn ontstaan, niet gebruikt kunnen worden voor de verrekening van voorvoegingsverliezen. Het Hof verwierp het beroep van de Inspecteur op fraus legis omdat de belastingbesparing binnen de kaders van de wet is gerealiseerd en niet in strijd is met de doelstellingen van de wet. Tegen dit oordeel heeft de staatssecretaris cassatieberoep ingesteld en heeft X incidenteel cassatieberoep ingesteld. De Hoge Raad verklaart zowel het principale beroep in cassatie van de Staatssecretaris van Financiën als het incidentele beroep in cassatie van X ongegrond. Conform conclusie A-G Wattel, ECLI:NL:PHR:2023:573. Rolnummer: 22/03529
-
Hoge Raad laat wrakingsverzoek wegens misbruik van het wrakingsmiddel buiten behandeling
X (belanghebbende) heeft cassatieberoep ingesteld in twee belastingzaken en ontving bericht dat daarin op 3 oktober 2025 uitspraak zou worden gedaan. X heeft vervolgens op 1 oktober 2025 wraking verzocht van twee betrokken raadsheren en later, op 2 december 2025, opnieuw wraking verzocht, ditmaal van twee leden van de wrakingskamer.
In geschil is of feiten en omstandigheden zijn aangevoerd die de wraking van deze raadsheren kunnen rechtvaardigen. X stelt dat de betrokken raadsheren niet hebben gereageerd op zijn verzoeken om afschriften van delen van zijn cassatieberoepschrift. De raadsheren berusten niet in de wraking en de A-G heeft afgezien van het nemen van een conclusie.
De Hoge Raad oordeelt dat het verzoek uitsluitend strekt tot een ander doel dan het waarborgen van onpartijdigheid. De door X aangevoerde omstandigheden hebben geen betrekking op de gewraakte raadsheren en vormen daarom geen grond voor wraking in de zin van artikel 8:15 Awb. Het verzoek wordt aangemerkt als evident misbruik van het wrakingsmiddel en blijft buiten behandeling, zonder zitting als bedoeld in artikel 8:18, lid 1, Awb.
De Hoge Raad bepaalt op grond van artikel 8:18, lid 4, Awb dat toekomstige wrakingsverzoeken in de zaken met nummers 24/00705, 24/00708 en 25/03569 niet meer in behandeling worden genomen.
Rolnummer: 25/04380
-
HR 81 RO; geen oordeel over redelijkheid inschakelen rechtsbijstandverlener (1)
X (belanghebbende) heeft in deze parkeerbelastingzaak via een gemachtigde bezwaar gemaakt, die echter niet heeft gereageerd op vier uitnodigingen voor een telefonisch hoorgesprek. Rechtbank Den Haag heeft de naheffingsaanslagen vernietigd en daarbij alleen een kostenvergoeding voor de bezwaarfase toegekend. In hoger beroep heeft Hof Den Haag geoordeeld dat X geen kostenvergoeding toekomt voor zowel het bezwaar als het beroep. Volgens het Hof was X, als medewerker van het bedrijf van gemachtigde, zelf voldoende kundig en had hij ook voldoende kennis van de parkeerregels. De inschakeling van een gemachtigde was daarom niet noodzakelijk. Bovendien had de gemachtigde door zijn proceshouding onnodig beroep uitgelokt, kennelijk om een proceskostenvergoeding te verkrijgen, welke handelwijze het Hof laakbaar acht. X heeft cassatieberoep ingesteld. A-G Koopman heeft op 3 oktober 2025 geconcludeerd tot ongegrondverklaring van het beroep in cassatie (ECLI:NL:PHR:2025:1068). Volgens de A-G is het Hof binnen zijn ruime beoordelingsmarge gebleven bij toepassing van artikel 2, lid 3, Bpb. Zelfs als de Hoge Raad vasthoudt aan zijn eerdere strenge lijn (HR 12 mei 2006, ECLI:NL:HR:2006:AX0985), geldt dat het beroep enkel nodig was door toedoen van X, die pas laat bewijs overhandigde. Daarom is geen vergoeding verschuldigd. Volgens de A-G zou de Hoge Raad de rechtsontwikkeling en rechtszekerheid een dienst bewijzen door enige onduidelijkheden uit het arrest van 11 juli 2025, ECLI:NL:HR:2025:1127, op te helderen. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep echter met toepassing van artikel 81 RO ongegrond. Rolnummer: 25/00553
-
HR 81 RO; geen oordeel over redelijkheid inschakelen rechtsbijstandverlener (2)
Zie ECLI:NL:HR:2025:1967. Rolnummer: 25/00573
-
Omkering en verzwaring van de bewijslast voor aftrek voorbelasting niet in strijd met Unierecht
X (belanghebbende) runt een organisatieadviesbureau, onder andere op het gebied van reclame en bedrijfsvormgeving, alsmede een klussenbedrijf. In geschil is in hoeverre X over het vierde kwartaal 2018 recht heeft op aftrek van voorbelasting. Het geschil spitst zich toe op het antwoord op de vraag of recht bestaat op aftrek van de voorbelasting vermeld op facturen van A Finance (bv) die zien op het tijdvak vierde kwartaal 2018. X heeft op 2 januari 2018 een samenwerkingsovereenkomst gesloten met A Finance met als doel een pand te verbouwen en flexkantoren te gaan verhuren. De samenwerking is in 2019 beëindigd. Architect A, de bestuurder van A Finance, verblijft in het buitenland en er is een strafrechtelijk onderzoek naar hem ingesteld. Anders dan Rechtbank Den Haag en de Inspecteur is Hof Den Haag van oordeel dat aan de materiële voorwaarden voor het uitoefenen van het recht op aftrek is voldaan en dat X aannemelijk heeft gemaakt dat hij recht heeft op aftrek van de in geschil zijnde bedragen. Volgens het Hof is voldoende duidelijk waarop de facturen betrekking hebben (kluswerk in het pand). Voorts is niet gesteld of gebleken dat X weet of moet weten dat A betrokken is bij belastingontwijking, -ontduiking of -fraude. Het hoger beroep is gegrond. De naheffingsaanslag wordt verminderd met € 30.023 tot (€ 45.294 -/- € 30.023 =) € 15.271. Tegen dit oordeel heeft de staatssecretaris cassatieberoep ingesteld, Het Hof is volgens het middel ten onrechte eraan voorbijgegaan dat in dit geval met betrekking tot de bewijslevering de in artikel 25, lid 3, AWR en artikel 27e, lid 1, AWR voorziene regeling geldt, hetgeen voor de belastingplichtige een verzwaarde bewijslast betekent wanneer vaststaat dat hij niet de vereiste belastingaangifte heeft gedaan. Die regeling geldt ook voor de heffing van omzetbelasting, aldus het middel. De Hoge Raad verklaart het cassatieberoep gegrond. De zaak wordt verwezen naar Hof Amsterdam om te beoordelen of X erin is geslaagd overtuigend aan te tonen dat en, zo ja, in hoeverre de uitspraak op het bezwaar onjuist is. Rolnummer: 23/02312
-
Proceskostenvergoeding bij niet verstrekken aanvullende informatie in WOZ-zaken (1)
In deze WOZ-zaak heeft Hof Den Haag de Heffingsambtenaar niet veroordeeld in de proceskosten voor de gedingen voor het Hof en voor de rechtbank, en evenmin de Heffingsambtenaar opgedragen het bij de rechtbank en het Hof betaalde griffierecht aan X (belanghebbende) te vergoeden. Het Hof heeft overwogen dat X in deze zaak uitsluitend formele punten heeft aangevoerd en geen enkel materieel punt heeft ingebracht. Het Hof leidt hieruit af dat X toch wel in beroep zou zijn gegaan, hetgeen betekent dat het al dan niet verstrekken van de gegevens door de Heffingsambtenaar geen verschil heeft gemaakt voor de beslissing om door te procederen. Tegen dit oordeel heeft X cassatieberoep ingesteld en de Hoge Raad verklaart dit gegrond. Een succesvol beroep op schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ (het verstrekken op verzoek van aanvullende waardebepalende informatie) dient te leiden tot toekenning van een proceskostenvergoeding, tenzij zich bijzondere omstandigheden voordoen. Daarvan is in casu geen sprake. Het Hof had dus vanwege de schending van artikel 40, lid 2, van de Wet WOZ, de Heffingsambtenaar moeten veroordelen in de proceskosten. Het Hof had eveneens de Heffingsambtenaar moeten opdragen het bij de rechtbank en het Hof betaalde griffierecht aan X te vergoeden. Rolnummer: 23/04269
-
Cassatie over WOZ‑beschikkingen; geen samenhang voor enkel griffierecht (1)
X (belanghebbende) heeft beroep in cassatie ingesteld tegen de uitspraak van Hof Amsterdam over beschikkingen op grond van de Wet waardering onroerende zaken en aanslagen onroerendezaakbelastingen voor de jaren 2017 en 2018. In geschil is of X slechts eenmaal griffierecht is verschuldigd op grond van artikel 8:41, lid 3, Awb, omdat volgens X sprake is van samenhang tussen de twee door hem ingestelde cassatieberoepen. X stelt dat de zaken inhoudelijk samenhangen en dat daarom eenmaal griffierecht volstaat. De griffier heeft tweemaal griffierecht geheven. De Hoge Raad overweegt dat voor toepassing van artikel 8:41, lid 3, Awb is vereist dat de zaken zowel inhoudelijk als in tijd samenhangen en dat de beroepen in cassatie door dezelfde belanghebbende met één beroepschrift zijn ingesteld. Aan deze voorwaarden is niet voldaan. Daarom bestaat geen aanleiding het betaalde griffierecht deels terug te betalen. De Hoge Raad heeft vervolgens de klachten tegen de uitspraak van het Hof beoordeeld en de procureur-generaal heeft gelegenheid gekregen advies uit te brengen. De Hoge Raad oordeelt dat het cassatieberoep duidelijk niet kan slagen. Het beroep wordt niet-ontvankelijk verklaard op grond van artikel 80a Wet RO. Rolnummer: 23/04390
-
Cassatie over WOZ‑beschikkingen; geen samenhang voor enkel griffierecht (2)
Zie ECLI:NL:HR:2025:1949. Rolnummer: 23/04392
-
Proceskostenvergoeding bij niet verstrekken aanvullende informatie in WOZ-zaken (2)
Zie ECLI:NL:HR:2025:1823. Rolnummer: 23/04271
-
Proceskostenvergoeding bij niet verstrekken aanvullende informatie in WOZ-zaken (3)
Zie ECLI:NL:HR:2025:1823. Rolnummer: 23/04270
-