Direct naar content gaan

HR attendering 19 juni 2026

  • Hof Arnhem-Leeuwarden

    Naheffing omzetbelasting i.v.m. verkoop voertuigen; grove schuld

    De activiteiten van de onderneming van X (belanghebbende) bestaan uit het verhuren van onder meer (klassieke) voertuigen aan film- en televisieproducenten. Deze activiteiten zijn vóór 2015 geëindigd. Na 2013 heeft X geen omzet meer verantwoord in haar jaaraangiften omzetbelasting.

    ~#~

    De Inspecteur heeft van X omzetbelasting nageheven ter zake van de verkoop van een aantal voertuigen.

    ~#~

    Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt in hoger beroep dat de voertuigen zoals betrokken in de naheffingsaanslag tot de bedrijfsvoorraad van X behoorden op het moment van verkoop in 2015 of 2016.

    ~#~

    X heeft de vereiste aangifte in 2015 en 2016 niet gedaan. De bewijslast wordt omgekeerd en verzwaard.

    ~#~

    Het Hof verwerpt het standpunt van X dat alle 56 voertuigen van de onderneming vóór 2015 zijn overgegaan naar de echtgenoot in privé. Er is voorts geen sprake van een samenwerkingsverband tussen X en haar echtgenoot dan wel van een fiscale eenheid.

    ~#~

    Er is sprake van een redelijke schatting en de Inspecteur is terecht uitgegaan van toepassing van het reguliere btw-tarief. Het hoger beroep is in zoverre ongegrond.

    ~#~

    De Inspecteur maakt opzet niet aannemelijk. Er is wel sprake van grove schuld. Gelet hierop wordt de boete verminderd. Tevens wordt de boete met 10% verminderd wegens undue delay.

    Rolnummer: 21/00910

  • Hof Arnhem-Leeuwarden

    Winstcorrecties ter zake van verkoop voertuigen

    X (belanghebbende) dreef een onderneming die bestond uit de verhuur van met name voertuigen, onder meer voor de filmindustrie. Deze activiteiten zijn vóór 2015 geëindigd. X is eigenaar van diverse voertuigen.

    ~#~

    De Inspecteur heeft na boekenonderzoeken positieve inkomens uit werk en woning voor 2015 en 2016 vastgesteld in verband met de verkoopopbrengst van voertuigen. Dit heeft geleid tot herziening van verliezen en navorderingsaanslagen. X heeft beroep (ongegrond) en hoger beroep ingesteld.

    ~#~

    Hof Arnhem-Leeuwarden overweegt dat de 89 voertuigen die zijn vermeld in het eerste controlerapport in 2011 tot het ondernemingsvermogen van X behoorden. De voertuigen die toen ten onrechte niet op de balans stonden, zijn toen voor € 50 per stuk geactiveerd. X had op dat moment een eenmanszaak en in dat kader verhuurde zij die voertuigen aan derden. Onder die omstandigheden behoorden de voertuigen verplicht tot haar ondernemingsvermogen. De gebruikte voertuigen zijn voorts bij staking op enig moment tussen 2011 en 2015 tot het ondernemingsvermogen blijven behoren.

    ~#~

    De Inspecteur heeft terecht de opbrengst die in 2015 en 2016 is behaald met de verkoop van 55 door de Inspecteur benoemde voertuigen tot de winst gerekend.

    ~#~

    Het standpunt van X dat een dotatie aan een kostenegalisatiereserve kan plaatsvinden vanwege toekomstige herstelkosten, verband houdend met een in 2016 uitgevoerde asbestsanering van daken van loodsen, slaagt niet.

    ~#~

    Het Hof oordeelt ten slotte dat de Inspecteur bevoegd was de herzieningsbeschikkingen en de navorderingsaanslagen vast te stellen. Het hoger beroep is ongegrond.

    Rolnummer: 21/00792 21/00793 21/00794 21/00795

  • Hof Arnhem-Leeuwarden

    Navordering IB / PVV bij goudensieradenhandelaar; redelijke schatting (1)

    De ondernemingsactiviteiten van een vof bestaan uit de inkoop en verkoop van (voornamelijk) gouden sieraden. X (belanghebbende) en haar echtgenoot zijn de vennoten.

    ~#~

    Naar aanleiding van een boekenonderzoek heeft de Inspecteur aan X navorderingsaanslagen IB/PVV opgelegd van resp. € 1.125.807 (2012), € 961.106 (2013), € 452.299 (2014) en € 453.924 (2015).

    ~#~

    Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat voor alle jaren aannemelijk is dat de vereiste aangiften niet zijn gedaan.

    ~#~

    De Inspecteur heeft de schattingen waarop de navorderingsaanslagen berusten, gebaseerd op verschillende correcties die volgen uit een boekenonderzoek. Daarbij is hij uitgegaan van de administratie van X. Rechtbank Gelderland heeft de navorderingsaanslagen met 20% verminderd omdat aannemelijk is dat een deel van de door handelaar A aangeleverde sieraden is omgesmolten en terug is gestuurd naar A.

    ~#~

    De Inspecteur heeft, na de vermindering door de Rechtbank, naar het oordeel van het Hof de aanslagen niet naar willekeur vastgesteld. Het Hof acht X er niet in geslaagd het verzwaarde (tegen)bewijs te leveren dat de geschatte correcties lager zijn.

    ~#~

    Het standpunt van X dat het Unierechtelijke verdedigingsbeginsel is geschonden wordt verworpen omdat in casu het Unierecht niet ten uitvoer wordt gebracht.

    Rolnummer: 21/978 21/979 21/980 21/981 21/982 21/983 21/984 21/985

  • Hof Den Bosch

    Aanslag IB / PVV voor Rijnvarende eerder te laag dan te hoog vastgesteld (1)

    Aan Rijnvarende X (belanghebbende) is een aanslag IB/PVV opgelegd, ervan uitgegaan dat hij verplicht verzekerd is in Nederland voor de PVV.

    ~#~

    Hof Den Bosch oordeelt dat de aanslag terecht is opgelegd. De Inspecteur is in het kader van de premieheffing gebonden aan een door de SVB afgegeven A1-verklaring. Er is geen sprake van strijd met het (Unierechtelijke) evenredigheidsbeginsel, het zorgvuldigheidsbeginsel, het gelijkheidsbeginsel en het correctiebeleid van de Belastingdienst.

    ~#~

    De stukken van het geding bevatten geen aanwijzingen dat de in het buitenland geheven premies zijn overgemaakt aan de SVB. Daarmee heeft X geen recht op verrekening als bedoeld in artikel 73, lid 2, Toepassingsverordening.

    ~#~

    Niet in geschil is dat X recht heeft op een aftrek van 1,2% op grond van de werkkostenregeling zoals neergelegd in artikel 3.84, lid 2, Wet IB 2001. De werkkostenregeling moet worden toegepast op het loon. Aan de hand van de loonstroken heeft de Inspecteur onderbouwd dat het fiscale loon moet worden vastgesteld op € 29.917, terwijl bij het vaststellen van de aanslag IB/PVV 2017 is uitgegaan van € 25.989. Het loon is eerder te laag dan te hoog vastgesteld. Rechtbank Zeeland-West-Brabant heeft het loon en het belastbaar inkomen uit werk en woning ten onrechte verminderd.

    ~#~

    Het incidentele hoger beroep van de Inspecteur is daarom gegrond.

    Rolnummer: 23/26

  • Gemeenschappelijk Hof van Justitie van Aruba, Curaçao, Sint Maarten en van Bonaire, Sint Eustatius en Saba

    Heffing Arubaanse dividendbelasting niet strijdig met verdrag met VS

    X (belanghebbende) is een in Aruba gevestigde, naar Arubaans recht opgerichte vennootschap. Zij exploiteert onder andere een schoonheidssalon, saunagelegenheid en massagefaciliteit en handelt in massagebenodigdheden.

    ~#~

    LLC houdt alle aandelen in X. LLC is gevestigd in de Verenigde Staten van Amerika. LLC is een vennootschap opgericht naar het recht van de VS.

    ~#~

    Op 31 augustus 2017 heeft X een bedrag van Afl. 890.000 ($500.000) als dividend uitgekeerd aan LLC. Zij heeft op 15 september 2017 aangifte gedaan en een bedrag van Afl. 89.000 aan dividendbelasting afgedragen. De dividendbelasting is berekend op basis van het tarief van 10%.

    ~#~

    Bij het GHvJ is (in hoger beroep) in geschil het antwoord op de vraag of de heffing van dividendbelasting door Aruba in strijd is met artikel VII, lid 1 en/of artikel XI, lid 1, Verdrag van vriendschap, handel en scheepvaart (Trb. 1956, 40), dat op 27 maart 1956 tussen het Koninkrijk der Nederlanden en de VS is gesloten (hierna: Vriendschapsverdrag).

    ~#~

    Daarnaast is in hoger beroep tevens in geschil of die heffing in strijd is met artikel XI, lid 2 en/of artikel XII, lid 2, Vriendschapsverdrag.

    ~#~

    Net als het Gerecht in eerste aanleg (Aruba) beantwoordt het GHvJ beide vragen ontkennend. De uitspraak van het Gerecht in eerste aanleg (Aruba) wordt bevestigd.

    Rolnummer: aua2021h00143

  • Hof Arnhem-Leeuwarden

    Slechts 45% van Duits pensioen is in box 1 belast

    X (belanghebbende) heeft van 1 januari 1980 tot en met 13 april 1997 in Duitsland gewoond en gewerkt. In 2018 woonde hij het gehele jaar in Nederland. In 2018 heeft X de AOW-gerechtigde leeftijd bereikt. In dat jaar heeft hij uitkeringen van in totaal € 12.254 krachtens de Deutsche Rentenversicherung ontvangen.

    ~#~

    In geschil is of in 2018 terecht inkomstenbelasting is geheven over het (volledige) Duitse pensioen.

    ~#~

    Hof Arnhem-Leeuwarden oordeelt dat de aanspraak op de onderhavige uitkeringen in twee delen moet worden gesplitst. De uitkeringen op grond van het gedeelte van de aanspraak dat voortvloeit uit in Duitsland aftrekbare premies zijn op grond van artikel 3.82 Wet IB 2001 in box 1 belast als belastbaar loon. Het gedeelte van de aanspraak dat voortvloeit uit in Duitsland niet aftrekbare premies behoort tot de bezittingen die deel uitmaken van de rendementsgrondslag in box 3 (artikel 5.3 Wet IB 2001).

    ~#~

    X stelt dat van de ontvangen uitkeringen 45% voortvloeit uit in Duitsland aftrekbare premies. Het Hof gaat ervan uit dat deze stelling als niet, althans niet voldoende gemotiveerd weersproken is komen vast te staan. Gelet hierop behoort van de uitkering 45% tot het belastbare inkomen uit werk en woning en het restant (55%) niet.

    ~#~

    De waarde van 55% van de pensioenaanspraak behoort tot box 3. De Inspecteur heeft ter zitting erin toegestemd dat voor dit geval niettemin ervan wordt uitgegaan dat de rendementsgrondslag van X in het onderhavige jaar nihil bedraagt.

    ~#~

    Het standpunt van X dat de in het Verdrag Nederland-Duitsland opgenomen kleinepensioenenregeling niet mag worden toegepast, wordt door het Hof verworpen (vgl. HR 14 oktober 2022, 21/04276, ECLI:NL:HR:2022:1437, NLF 2022/2168, met noot van Douven).

    Rolnummer: 21/01451

  • Hof Den Haag

    Onterechte naheffingsaanslag parkeerbelasting voor pakketbezorger; begrip laden en lossen

    Rechtbank Rotterdam heeft een aan pakketbezorger X (belanghebbende) opgelegde naheffingsaanslag parkeerbelasting vernietigd omdat sprake is geweest van ‘laden en lossen’ en niet van parkeren. De Heffingsambtenaar heeft hoger beroep ingesteld.

    ~#~

    X heeft ter zitting van Hof Den Haag geloofwaardig verklaard dat hij de betreffende dag bij het distributiecentrum 89 pakketten heeft opgehaald om deze in verschillende straten te bezorgen. De pakketten bevatten kleding en verschilden van zakken tot dozen van verschillende omvang en gewicht; verschillende pakketten hadden een omvang van ongeveer 80×60×50 cm.

    ~#~

    Volgens het Hof heeft de Rechtbank terecht geoordeeld dat sprake is van ‘laden en lossen’ (vgl. HR 7 maart 2014, 13/01494, ECLI:NL:HR:2014:445 en HR 12 mei 1999, 33.286, ECLI:NL:HR:1999:AA2760).

    ~#~

    De Heffingsambtenaar stelt tevergeefs dat het begrip ‘onmiddellijk laden en lossen’ per parkeerincident of bezorgadres moet worden beoordeeld. Gelet op het grote aantal pakketten dat X die dag moest bezorgen en de omvang daarvan heeft de Heffingsambtenaar niet aannemelijk gemaakt dat een andere wijze van vervoer dan per auto mogelijk was.

    ~#~

    Het hoger beroep van de Heffingsambtenaar is ongegrond.

    Rolnummer: 23/719

  • Hof Arnhem-Leeuwarden

    Geen sprake van ondernemerschap voor de omzetbelasting

    X (belanghebbende) heeft in de jaaraangifte omzetbelasting over het jaar 2016 een bedrag van € 17.486 aan voorbelasting in aftrek gebracht en daarin geen verschuldigde omzetbelasting vermeld. De voorbelasting houdt verband met de aankoop van een Porsche Cayenne. X stelt dat de auto, die hij op eigen naam heeft gekocht, wordt gebruikt ten behoeve van zijn onderneming. Hij stelt dat hij auto’s opknapt en repareert, welke auto’s vervolgens door zijn echtgenote worden verkocht. X ontvangt geen vergoeding voor zijn werkzaamheden.

    ~#~

    De Inspecteur heeft de aftrek van de aan X ter zake van de aankoop van de auto in rekening gebrachte omzetbelasting geweigerd.

    ~#~

    Het geschil spitst zich toe op de vraag of X, al dan niet tezamen met zijn echtgenote, als btw-ondernemer moet worden aangemerkt.

    ~#~

    Degene die uitsluitend om niet presteert, is geen ondernemer. Nu niet in geschil is dat X voor de door hem verrichte werkzaamheden op zichzelf geen vergoeding bedingt en ook niet van plan is daarvoor een vergoeding te gaan bedingen, kan X op grond van louter zijn eigen werkzaamheden niet als ondernemer worden aangemerkt, oordeelt Hof Arnhem-Leeuwarden.

    ~#~

    Volgens het Hof is ook geen sprake van een samenwerkingsverband met de echtgenote, welk samenwerkingsverband als ondernemer voor de Wet OB 1968 moet worden aangemerkt.

    ~#~

    Het hoger beroep is ongegrond.

    Rolnummer: 21/00791

Naar boven