Direct naar content gaan
Wet financiering sociale verzekeringen
Hst. 1 Algemene bepalingen
Art. 1 Algemene begrippen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Art. 2 Sociale verzekeringen
In deze wet en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder:
Hst. 2 De financiering van de volksverzekeringen
Afd. 1 Inleidende bepalingen
Art. 3 Premieheffing en rijksbijdragen
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van de fondsen voor de volksverzekeringen worden verkregen door het heffen van premie en door bijdragen van het Rijk.
Art. 4 Algemene begrippen
Voor de toepassing van dit hoofdstuk en afdeling 2 van hoofdstuk 7 wordt verstaan onder:
Art. 5 Uitzondering nominale premie AWBZ
Vervallen
Afd. 2 Premie van verzekerden
Par. undefined Premieplicht
Art. 6 Premieplicht
1Premieplichtig voor de volksverzekeringen is de verzekerde in de zin van de volksverzekeringen.2Ingeval artikel 26b van de Wet op de loonbelasting 1964 toepassing vindt, wordt de in dat artikel bedoelde werknemer geacht premieplichtig te zijn. Ten aanzien van deze werknemer worden de in artikel 10, eerste lid , bedoelde percentages toegepast op het loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 .
Par. undefined Maatstaf
Art. 7 Maatstaf
De maatstaf voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen is het premie-inkomen van de premieplichtige.
Art. 8 Premie-inkomen
1Voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen bij wege van aanslag wordt onder premie-inkomen verstaan het belastbare inkomen uit werk en woning, bepaald volgens de regels van hoofdstuk 3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 . De toerekening van de gemeenschappelijke inkomensbestanddelen van de premieplichtige en zijn partner geschiedt overeenkomstig artikel 2.17 van de Wet inkomstenbelasting 2001 . In het geval de premieplichtige en zijn partner beiden belastingplichtig zijn, geldt de gemaakte keuze, bedoeld in artikel 2.17, tweede lid, van die wet , zowel voor de heffing van de inkomstenbelasting als voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen.2Voor de heffing van de premie voor de volksverzekeringen bij wijze van inhouding wordt onder premie-inkomen verstaan het belastbare loon in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 met uitzondering van de eindheffingsbestanddelen, bedoeld in artikel 31, eerste lid, onderdelen d tot en met g, van die wet .3Het premie-inkomen wordt tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het als eerste vermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 . In afwijking van de eerste volzin wordt het premie-inkomen van een premieplichtige die is geboren vóór 1 januari 1946 tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het als eerste vermelde bedrag in kolom II van de tarieftabel in artikel 2.10a, eerste lid, van de Wet inkomstenbelasting 2001 .
Par. undefined Tarief en heffingskorting
Art. 9 Verschuldigde premie
1De verschuldigde premie voor de volksverzekeringen is de premie voor de volksverzekeringen verminderd met de voor de premieplichtige toepasselijke heffingskorting voor de volksverzekeringen.2Indien de premieplichtige ook belastingplichtig is voor de inkomstenbelasting en de volgens artikel 8.3 van de Wet inkomstenbelasting 2001 , met inachtneming van artikel 2.7, eerste lid, tweede en derde zin, van die wet , berekende heffingskorting voor de inkomstenbelasting niet volledig kan worden verrekend met de volgens artikel 2.7, eerste lid, eerste zin, van die wet verschuldigde inkomstenbelasting, na toepassing van regelingen ter voorkoming van dubbele belasting, wordt het bedrag van de verschuldigde premie voor de volksverzekeringen ook met dat niet verrekende deel verminderd.
Art. 10 Premie
1De premie voor de volksverzekeringen wordt vastgesteld op de som van de percentages bedoeld in artikel 11 van het premie-inkomen.2Tot de premie, bedoeld in het eerste lid, behoort met ingang van de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet , zal bereiken niet de premie voor de algemene ouderdomsverzekering.
Art. 11 Premiepercentage
1Het premiepercentage voor de algemene ouderdomsverzekering wordt bij regeling van Onze Minister vastgesteld. Het bedraagt ten hoogste 18,25.2Het premiepercentage voor de nabestaandenverzekering wordt bij regeling van Onze Minister vastgesteld.3Het premiepercentage voor de verzekering langdurige zorg wordt vastgesteld bij regeling van Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport in overeenstemming met Onze Minister.4Indien een wijziging van een premiepercentage ingaat op een ander tijdstip dan 1 januari, vindt de vaststelling plaats in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en kunnen daarbij regels worden gesteld omtrent de wijze van berekening van de premie over het gehele kalenderjaar.
Art. 12 Heffingskorting
1De heffingskorting voor de volksverzekeringen is de som van:2Indien de premie voor de volksverzekeringen bij wijze van inhouding wordt geheven, worden voor de toepassing van het eerste lid de heffingskortingen, genoemd in artikel 8.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 , die geen deel uitmaken van de standaardloonheffingskorting, bedoeld in artikel 21c van de Wet op de loonbelasting 1964 , geacht geen deel uit te maken van de standaardheffingskorting, bedoeld in artikel 8.2 van de Wet inkomstenbelasting 2001 .3De heffingskorting, bedoeld in het eerste lid, geldt ten aanzien van degene die het gehele kalenderjaar premieplichtig is. Bij ministeriële regeling worden regels gesteld voor de bepaling van de heffingskorting ten aanzien van degene die een gedeelte van het jaar premieplichtig is.
Par. undefined Aanvullende regeling
Art. 13 Nadere regels
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot deze afdeling.
Afd. 3 Rijksbijdragen
Par. undefined
Art. 14 Rijksbijdragen Nabestaandenfonds, Ouderdomsfonds en Fonds langdurige zorg
1Bij ministeriële regeling kunnen bedragen worden vastgesteld die als rijksbijdrage ten gunste komen van het Ouderdomsfonds.2Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kan jaarlijks bedragen vaststellen die als rijksbijdrage ten gunste komen van het Fonds langdurige zorg.
Art. 15 Rijksbijdrage in kosten heffingskortingen
Ten gunste van het Ouderdomsfonds, het Nabestaandenfonds en het Fonds langdurige zorg wordt jaarlijks een rijksbijdrage in de kosten van de heffingskortingen voor de volksverzekeringen toegekend. Deze bijdrage wordt door Onze Minister vastgesteld volgens de formule: BIKKt = (BIKKt-1 + A*Kt-1)*Kt/Kt-1 waarbij:BIKKt = de bijdrage in de kosten van de heffingskortingen ten gunste van het fonds in een bepaald jaar;BIKKt-1 = de bijdrage in de kosten van de heffingskortingen ten gunste van het fonds in het voorafgaande jaar;A = het aandeel van de premie ten gunste van het fonds in het gecombineerde heffingspercentage, bedoeld in artikel 8.1, onderdeel c, van de Wet inkomstenbelasting 2001 , in het jaar waarvoor de bijdrage wordt toegekend, verminderd met het aandeel in het daaraan voorafgaande jaar;Kt = de door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, geraamde totale kosten voor de heffingskortingen in het jaar waarvoor de bijdrage wordt toegekend;Kt-1 = de door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, geraamde totale kosten voor de heffingskortingen in het jaar voorafgaand aan het jaar waarvoor de bijdrage wordt toegekend.
Hst. 3 De financiering van de werknemersverzekeringen en de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen
Afd. 1 Inleidende bepalingen
Par. undefined Het loonbegrip
Art. 16 Loon
1Voor de toepassing van dit hoofdstuk wordt onder loon verstaan het loon en de gage overeenkomstig de Wet op de loonbelasting 1964 .2Tot het loon behoren niet:
Art. 17 Maximum premieloon
1Het loon, waarnaar de premies op grond van dit hoofdstuk worden geheven, wordt bij dezelfde werkgever tot geen hoger bedrag in aanmerking genomen dan het door Onze Minister, in overeenstemming met Onze Ministers van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en van Financiën, met betrekking tot het kalenderjaar vastgestelde bedrag. Voorts bedraagt het dagloon dat aan de uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen of vrijwillige werknemersverzekeringen ten grondslag ligt of wordt gelegd ten hoogste het bedrag, bedoeld in de eerste volzin, met betrekking tot een loontijdvak van een dag, waarbij het kalenderjaar wordt gesteld op 261 dagen.2Het bedrag, bedoeld in het eerste lid, eerste zin, wordt herleid en vastgesteld voor andere loontijdvakken waarin loon als bedoeld in artikel 16 wordt genoten. Voor de herleiding van het loontijdvak van een jaar naar een ander loontijdvak is artikel 25, eerste en vierde lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 van overeenkomstige toepassing, met uitzondering van de toepassing voor het dagloon, bedoeld in het eerste lid, tweede volzin. Het dagloon wordt herleid en vastgesteld voor loontijdvakken waarvoor Onze Minister dit nodig acht.3De premies die op grond van dit hoofdstuk worden geheven worden per loontijdvak berekend over het verschil tussen het loon dat de werknemer in het kalenderjaar heeft genoten tot en met dat loontijdvak en het loon dat de werknemer in dat kalenderjaar heeft genoten tot en met het aan dat loontijdvak voorafgaande loontijdvak, met dien verstande dat van het bij eenzelfde werkgever genoten loon buiten aanmerking blijft het gedeelte dat meer bedraagt dan het met toepassing van het tweede lid vastgestelde bedrag per loontijdvak, vermenigvuldigd met het aantal loontijdvakken van het kalenderjaar. In afwijking van de eerste zin kunnen de premies die op grond van dit hoofdstuk worden geheven, apart worden berekend over het deel van het bij een werkgever genoten loon, dat betrekking heeft op de betaling van uitkeringen als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a of b , door een eigenrisicodrager, indien de betaling wordt gedaan namens of ten behoeve van die werkgever door een derde die in opdracht van hem deze betalingen verricht op grond van zijn taak als eigenrisicodrager. Indien de werkgever in een kalenderjaar kiest voor de in de tweede zin bedoelde berekening wordt deze toegepast vanaf het eerste loontijdvak en vervolgens in alle daaropvolgende loontijdvakken in dat kalenderjaar.4Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen regels worden gesteld voor de vaststelling van het voor premieberekening in aanmerking komende loon bij samenloop van loon dat gelijktijdig wordt genoten uit een dienstbetrekking in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 en uit een vroegere dienstbetrekking in de zin van die wet. In de te stellen regels wordt uitgegaan van een totaal loonbedrag in een kalenderjaar, dat niet hoger is dan het bedrag, bedoeld in het eerste lid, eerste volzin, waarbij niet meer dan één keer rekening wordt gehouden met dat bedrag en waarbij het tweede en derde lid van overeenkomstige toepassing zijn.5Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen nadere regels worden gesteld in ieder geval voor de omstandigheid dat bij één of meerdere werkgevers naast loon uit dienstbetrekking ook een uitkering op grond van een werknemersverzekering of op grond van hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 , of de artikelen 4:2b, eerste tot en met zesde lid , en 6:3, eerste tot en met zesde lid, van de Wet arbeid en zorg wordt ontvangen.
Art. 18 Herziening maximumpremieloon
1Het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid , wordt herzien met ingang van de dag waarop en in de mate waarin het bedrag genoemd in artikel 8, eerste lid, onderdeel b, van de Wet minimumloon en minimumvakantiebijslag wordt herzien. Voor de berekening van het herziene bedrag wordt de mate waarin het minimumloon wordt herzien, uitgedrukt in procenten en afgerond op twee decimalen. Het herziene bedrag wordt afgerond op het dichtstbijzijnde veelvoud van € 2,61. Indien het restbedrag € 1,305 bedraagt, geschiedt de afronding naar boven.2De dag, bedoeld in het eerste lid, en het overeenkomstig het eerste lid herziene bedrag worden door Onze Minister in de Staatscourant bekend gemaakt.3Het overeenkomstig het eerste lid herziene bedrag treedt in de plaats van het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid .4Uitsluitend voor de berekening van het loon waarnaar de premies en de inkomensafhankelijke bijdrage uit de Zorgverzekeringswet worden geheven, wordt het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, eerste volzin , naar beneden afgerond op hele euro’s. Voor de berekening van het loon waarnaar de premies en de inkomensafhankelijke bijdrage uit de Zorgverzekeringswet worden geheven blijft het bedrag, bedoeld in artikel 17, eerste lid, eerste volzin, zoals dat geldt per 1 januari van een kalenderjaar gedurende dat hele kalenderjaar van kracht.
Art. 19 Uitzondering maximum premieloon
Par. undefined Inhouding en verbod van verhaal
Art. 20 Verbod verhaal op werknemer
De werkgever mag de door hem verschuldigde premie niet verhalen op de werknemer. Elk beding waarbij van de eerste zin wordt afgeweken, is nietig.
Par. undefined Uitzondering en uitbreiding premieplicht
Art. 21 Uitzondering premieplicht AOW-gerechtigden
Geen premies voor de werknemersverzekeringen zijn verschuldigd met ingang van de eerste dag van de maand waarin de verzekerde de pensioengerechtigde leeftijd, bedoeld in artikel 7a, eerste lid, van de Algemene Ouderdomswet , zal bereiken.
Art. 21a tijdens levensloopverlof
WIA Vervallen
Par. undefined Premiewijziging anders dan per 1 januari
Art. 22 Premiewijziging anders dan per 1 januari
1Indien een wijziging van een premiepercentage bij ministeriële regeling op grond van dit hoofdstuk ingaat op een ander tijdstip dan 1 januari, vindt de vaststelling plaats in overeenstemming met Onze Minister van Financiën.2Indien een wijziging door het UWV van een premiepercentage op grond van dit hoofdstuk ingaat op een ander tijdstip dan 1 januari, is goedkeuring vereist van Onze Minister en Onze Minister van Financiën. Indien Onze Minister en Onze Minister van Financiën hun goedkeuring onthouden stellen zij het percentage zelf vast.3Onze Minister en Onze Minister van Financiën kunnen in een geval als bedoeld in dit artikel regels stellen omtrent de wijze van berekening van de premie over het gehele kalenderjaar.
Afd. 2 Algemeen Werkloosheidsfonds
Par. undefined Premie ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds
Art. 23 Premieheffing
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven van het Algemeen Werkloosheidsfonds worden verkregen door het heffen van premie.
Par. undefined Uitzondering overheid
Art. 24 Uitzondering overheid
1Deze afdeling is niet van toepassing op overheidswerkgevers voorzover zij werkgever zijn van overheidswerknemers.2In afwijking van het eerste lid is deze afdeling van toepassing ten aanzien van degenen die uitkering ontvangen op grond van de Werkloosheidswet , de Ziektewet , de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , of hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 , of de artikelen 4:2b, eerste tot en met zesde lid , en 6:3, eerste tot en met zesde lid, van de Wet arbeid en zorg , dan wel een toeslag op grond van de Toeslagenwet , indien zij die uitkering of toeslag uit hoofde van een dienstbetrekking als overheidswerknemer ontvangen.
Par. undefined Premieplicht
Art. 25 Premieverschuldigdheid werkgever
De premie is verschuldigd door de werkgever in de zin van de Werkloosheidswet .
Par. undefined Maatstaf
Art. 26 Maatstaf
De maatstaf voor de heffing van de premie is het loon.
Par. undefined Tarief
Art. 27 Premiepercentages Algemeen Werkloosheidsfonds
1De premie, bedoeld in artikel 23 , wordt bij regeling van Onze Minister vastgesteld op een percentage van het loon dat voor categorieën van werknemers naar de aard van hun arbeidsovereenkomst verschilt, waarbij onderscheid wordt gemaakt in een lage premie voor werknemers met een schriftelijke arbeidsovereenkomst voor onbepaalde tijd niet zijnde een oproepovereenkomst als bedoeld in artikel 628a, negende en tiende lid, van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek , en een hoge premie voor overige werknemers. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld over het verschil tussen de hoge en de lage premie en over de gevallen waarin in afwijking van de eerste zin met terugwerkende kracht de hoge premie van toepassing is. Voorts kunnen bij of krachtens algemene maatregel van bestuur nadere voorwaarden worden gesteld aan de toepassing van de premie en over de wijze waarop de lage premie wordt herzien in de gevallen waarin met terugwerkende kracht de hoge premie van toepassing is.2De premie, bedoeld in artikel 23 , over een uitkering op grond van de Werkloosheidswet , de Ziektewet , de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 , of de artikelen 4:2b, eerste tot en met zesde lid , en 6:3, eerste tot en met zesde lid, van de Wet arbeid en zorg aan de werknemer of gelijkgestelde, bedoeld in artikel 3:6, eerste lid, van die wet , en over een toeslag op grond van de Toeslagenwet wordt vastgesteld op het percentage van de lage premie, bedoeld in het eerste lid.Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de toepassing van de eerste zin.3In afwijking van het eerste lid is het percentage van de lage premie, bedoeld in het eerste lid, van toepassing indien het een werknemer betreft dieBij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere voorwaarden worden gesteld aan de toepassing van de eerste zin.4Het bezwaar of beroep van een werkgever tegen een besluit dat met terugwerkende kracht de hoge premie van toepassing is, als bedoeld in het eerste lid, kan niet zijn gegrond op de grief dat een uitkering op grond van de Werkloosheidswet ten onrechte of tot een te hoog bedrag is vastgesteld.
Art. 28 Premiepercentage sectorfonds
Vervallen
Afd. 3 Uitvoeringsfonds voor de overheid
Par. undefined
Art. 29 Premieheffing en verhaal
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid worden verkregen door het in rekening brengen van de uitgaven, bedoeld in artikel 79 van de Werkloosheidswet , bij de overheidswerkgevers en door het heffen van premie.
Art. 30 Premieverschuldigdheid overheidswerkgever
De premie is verschuldigd door de overheidswerkgever.
Art. 31 Maatstaf en tarief
De premie wordt bij ministeriële regeling vastgesteld op een percentage van het loon.
Art. 32 Pseudo-WW-premie
Vervallen
Afd. 4 Arbeidsongeschiktheidsfonds en Werkhervattingskas
Par. undefined Premies en rijksbijdragen ten gunste van de fondsen
Art. 33 Premieheffing, quotumheffing en rijksbijdrage
1De financiële middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds worden verkregen door het heffen van de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 36 , de quotumheffing, bedoeld in artikel 38h , en door een bijdrage van het rijk als bedoeld in artikel 114, onderdeel f .2De financiële middelen tot dekking van de uitgaven ten laste van de Werkhervattingskas, alsmede de financiële middelen voor het vormen en in stand houden van een staartlastenvermogen in de Werkhervattingskas, worden verkregen door het heffen van de in artikel 38 bedoelde gedifferentieerde premie.
Par. undefined Premieplicht en quotumheffing werkgever
Art. 34 Gedifferentieerde premies en quotumheffing
1De premie is verschuldigd door werkgevers in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en bestaat uit een gedifferentieerde premie ten behoeve van het Arbeidsongeschiktheidsfonds en een gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas.2In afwijking van artikel 20 kan de werkgever de met betrekking tot een werknemer door hem verschuldigde gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas, bedoeld in artikel 38 , verhalen op de werknemer onder bij ministeriële regeling te bepalen voorwaarden tot een bij die regeling nader te bepalen bedrag, dat ten hoogste de helft van de door de werkgever verschuldigde premie kan bedragen.3De quotumheffing is verschuldigd door werkgevers in de zin van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen .4De quotumheffing is niet verschuldigd indien in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarover de quotumheffing wordt geheven, de werkgever minder dan 25 vermenigvuldigd met het gemiddeld aantal verloonde uren per werknemer op jaarbasis in Nederland aan verloonde uren als bedoeld in artikel 38b, vierde lid , in de loonaangifte op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft verantwoord.5Bij algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën werknemers worden aangewezen ten aanzien waarvan de verloonde uren bij de toepassing van het vierde lid in mindering worden gebracht op het totaal aantal verloonde uren die de werkgever in de loonaangifte heeft verantwoord.6Indien de quotumheffing op grond van het vierde lid zou zijn verschuldigd maar in het kalenderjaar waarover de quotumheffing wordt geheven blijkt dat de werkgever minder dan 25 vermenigvuldigd met het gemiddeld aantal verloonde uren per werknemer op jaarbasis in Nederland aan verloonde uren als bedoeld in artikel 38b, vierde lid , in de loonaangifte op grond van de Wet op de loonbelasting 1964 heeft verantwoord, is de quotumheffing niet verschuldigd.7De voor de toepassing van het vierde en zesde lid in aanmerking te nemen verloonde uren worden vastgesteld op grond van de loonaangiften die uiterlijk op 1 mei van het jaar waarover de quotumheffing wordt geheven onderscheidenlijk op 1 mei van het jaar volgend op kalenderjaar waarover de quotumheffing wordt geheven zijn ingediend alsmede de correcties daarop die uiterlijk op die datum zijn ingediend. Hierbij worden uitsluitend loonaangiften en correcties in aanmerking genomen met betrekking tot het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarover de quotumheffing wordt geheven onderscheidenlijk het kalenderjaar waarover de quotumheffing wordt geheven.8Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld ter uitvoering van het vierde en zesde lid die in ieder geval betrekking hebben op:
  • a.de bepaling van het gemiddeld aantal verloonde uren per werknemer op jaarbasis in Nederland in het desbetreffende kalenderjaar;
  • b.de herleiding van het totaal aantal verloonde uren door de werkgever indien de werkgever in het desbetreffende kalenderjaar niet gedurende het gehele kalenderjaar de hoedanigheid van werkgever heeft gehad.
Par. undefined Maatstaf
Art. 35 Maatstaf
1De maatstaf voor de heffing van de premie is het loon.2De maatstaf voor de quotumheffing is het aantal verloonde uren, bedoeld in artikel 38b, vierde lid .
Par. undefined Tarief
Art. 36 Gedifferentieerde premie Arbeidsongeschiktheidsfonds
1De gedifferentieerde premie ten behoeve van het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld in artikel 34, eerste lid , wordt bij regeling van Onze Minister vastgesteld op een percentage van het loon, bedoeld in paragraaf 1 van afdeling 1 van dit hoofdstuk, waarbij voor kleine werkgevers een lager percentage geldt dan voor overige werkgevers en het verschil tussen het hoge en het lage percentage niet meer bedraagt dan 2 procentpunt.2Bij algemene maatregel van bestuur wordt geregeld welke werkgevers voor de toepassing van dit artikel worden aangemerkt als kleine werkgevers. Daarbij kunnen aanvullende criteria worden vastgesteld voor het aanmerken van een werkgever als kleine werkgever.3Indien een werkgever met toepassing van het bepaalde bij of krachtens de artikelen 96 of 97 is aangesloten bij verschillende sectoren, wordt voor elk bedrijfsonderdeel van de werkgever waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot een afzonderlijke sector het eerste en tweede lid toegepast als was dat bedrijfsonderdeel een afzonderlijke werkgever.4In afwijking van het eerste en tweede lid is over een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , de Ziektewet , hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 , of de artikelen 4:2b, eerste tot en met zesde lid , en 6:3, eerste tot en met zesde lid, van de Wet arbeid en zorg , de Werkloosheidswet , over een toeslag op grond van de Toeslagenwet en over het loon uit een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening , het krachtens het eerste lid vastgestelde hoge percentage verschuldigd. Met een uitkering op grond van de Werkloosheidswet wordt gelijkgesteld een wachtgeld als bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen .
Art. 37 Uniforme premie Arbeidsongeschiktheidskas
Vervallen
Art. 38 Gedifferentieerde premie Werkhervattingskas
1In dit artikel wordt onder categorie werkgeversverstaan:
  • werkgevers ten laste van wie, in het tweede kalenderjaar dat aan het kalenderjaar waarvoor de premie wordt vastgesteld vooraf is gegaan, loon waarover de premies op grond van dit hoofdstuk worden geheven, is gekomen dat gelijk is aan, meer of minder bedraagt dan een bij algemene maatregel van bestuur te bepalen omvang van het gemiddelde van dit loon, bedoeld in paragraaf 1 van afdeling 1 van dit hoofdstuk , per werknemer in dat kalenderjaar.
2Het UWV stelt voor de berekening van de gedifferentieerde premie een voor alle takken van bedrijf en beroep gelijk gemiddeld percentage vast.3Elk jaar wordt met ingang van 1 januari een opslag of korting vastgesteld waarmee het in het tweede lid bedoelde percentage wordt verhoogd respectievelijk verlaagd. Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de opslag of korting naar categorie werkgevers voor de werkgever afzonderlijk of per sector als bedoeld in artikel 95 , wordt vastgesteld, waarbij de korting of opslag voor werkgevers per sector of sectoronderdelen kan verschillen of op nihil kan worden vastgesteld. Indien een werkgever met toepassing van de artikelen 96 of 97 is aangesloten bij verschillende sectoren, wordt voor elk bedrijfsonderdeel van de werkgever waar werkzaamheden worden verricht die behoren tot een afzonderlijke sector, de opslag of korting toegepast als was dat bedrijfsonderdeel een afzonderlijke werkgever. Voor de werkgever voor wie de korting of opslag afzonderlijk wordt vastgesteld, stelt de inspecteur de korting of opslag vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. Ten aanzien van werkgevers voor wie de opslag of korting per sector wordt vastgesteld kan in bijzondere gevallen bij regeling van Onze Minister worden bepaald dat de opslag of korting op een door Onze Minister te bepalen wijze wordt vastgesteld aan de hand van het gemiddelde van de opslag of korting van een aantal sectoren.4De inspecteur stelt in geval van overgang van een onderneming in de zin van artikel 662 van Boek 7 van het Burgerlijk Wetboek , alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, de vastgestelde opslag of korting, bedoeld in het derde lid, opnieuw bij voor bezwaar vatbare beschikking vast voor de werkgever die een onderneming of een deel daarvan verkrijgt en voor de werkgever die een deel van zijn onderneming overdraagt.5Indien de werkgever een overheidswerkgever is op wie artikel 7:662 van het Burgerlijk Wetboek niet van toepassing is, en deze geheel of gedeeltelijk is overgegaan naar een andere werkgever, alsmede in geval van een dergelijke overgang bij faillissement, stelt de inspecteur de vastgestelde opslag of korting, bedoeld in het derde lid, opnieuw vast bij voor bezwaar vatbare beschikking voor:
  • a.de rechtsopvolger van die overheidswerkgever dan wel de verkrijger van een deel daarvan, en
  • b.voor de overheidswerkgever die een deel van de organisatie overdraagt.
Het bepaalde bij of krachtens het zevende lid, inzake de in het derde, vierde en vijfde lid bedoelde opslag en korting is van overeenkomstige toepassing.
6De inspecteur stelt, in geval aan een werkgever toestemming is verleend om zelf het risico te dragen van betaling van ziekengeld of WGA-uitkering en overlijdensuitkeringen als bedoeld in artikel 40, eerste lid , alsmede in geval het door de werkgever zelf dragen van het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, is geëindigd of wordt beëindigd, de vastgestelde opslag of korting, bedoeld in het derde lid, opnieuw bij voor bezwaar vatbare beschikking vast met ingang van de datum waarop het zelf dragen van het risico aanvangt dan wel is geëindigd of wordt beëindigd.7Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld omtrent:
  • a.de wijze waarop het gemiddelde percentage, bedoeld in het tweede lid, wordt vastgesteld, rekening houdend met de verschillende lasten voor de Werkhervattingskas;
  • b.de wijze waarop de in het derde en het vierde lid, bedoelde opslag en korting worden berekend;
  • c.de percentages die op grond van dit artikel ten hoogste voor categorieën van werkgevers, sector of sectoronderdeel mogen gelden en omtrent de percentages die op grond van dit artikel ten minste voor categorieën van werkgevers, sector of sectoronderdeel gelden.
8De inspecteur is bevoegd tot herziening van een beschikking op grond van dit artikel indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de beschikking is gegeven op grond van onjuiste of onvolledige gegevens. Een herziening ten nadele van de werkgever is uitsluitend mogelijk indien deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever of de gewezen werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn. De inspecteur stelt de herziening vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.9Beschikkingen van de inspecteur op grond van dit artikel worden genomen gehoord het UWV en in overeenstemming met het UWV.
Art. 38a Vervanging gedifferentieerde premie
1In afwijking van artikel 38 is over een uitkering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering , de Ziektewet , hoofdstuk 3, afdeling 2, paragraaf 1 , of de artikelen 4:2b, eerste tot en met zesde lid , en 6:3, eerste tot en met zesde lid, van de Wet arbeid en zorg , de Werkloosheidswet , over een toeslag op grond van de Toeslagenwet en over het loon uit een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening , als gedifferentieerde premie ten behoeve van de Werkhervattingskas een vervangende premie verschuldigd. Met een uitkering op grond van de Werkloosheidswet wordt gelijkgesteld een wachtgeld als bedoeld in artikel 1, onderdeel r, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen .2Behalve voor degene die loon ontvangt uit een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening wordt het eerste lid niet toegepast ingeval het UWV de uitkering, vermeerderd met de daarover door de werkgever verschuldigde premies en de inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet , betaalt aan de werkgever, bedoeld in artikel 11 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen en in artikel 9 , 10 of 12 van de Werkloosheidswet en de Ziektewet , onafhankelijk van het voortbestaan van de dienstbetrekking met die werkgever.3Het eerste lid wordt eveneens niet toegepast ingeval een eigenrisicodrager de uitkering, bedoeld in artikel 63a Ziektewet , betaalt of de uitkering, bedoeld in artikel 82 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , betaalt, onafhankelijk van het voortbestaan van de dienstbetrekking met die eigenrisicodrager.4Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de wijze waarop de vervangende premie, bedoeld in het eerste lid, wordt vastgesteld.
Par. undefined Quotumheffing
Art. 38b Definities
1In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt onder een arbeidsbeperkte verstaan de persoon, niet zijnde de persoon van wie door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld dat hij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet :
  • a.die met ondersteuning bij de arbeidsinschakeling van het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet naar een dienstbetrekking is of wordt toegeleid of ten behoeve van wie loonkostensubsidie wordt verstrekt op grond van artikel 10d, tweede lid, van de Participatiewet , en van wie uitsluitend op verzoek van het college van burgemeester en wethouders door het UWV is vastgesteld dat hij niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet , dan wel van wie door het college van burgemeester en wethouders in overeenstemming met de eisen gesteld aan een loonwaardevaststelling op grond van artikel 10d, eerste of tweede lid, van de Participatiewet een loonwaarde is vastgesteld die bij voltijdse arbeid minder bedraagt dan het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet,
  • b.die geïndiceerd is als bedoeld in de Wet sociale werkvoorziening of een nog geldende indicatiebeschikking heeft op grond van artikel 11 van die wet , zoals dat artikel luidde op 31 december 2014,
  • c.die recht op arbeidsondersteuning of een arbeidsongeschiktheidsuitkering op grond van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten heeft, tenzij deze persoon duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 1a:1 van die wet ,
  • d.die voldoet aan een bij of krachtens algemene maatregel van bestuur vastgestelde indicatie,
  • e.die met ondersteuning bij de arbeidsinschakeling van het college van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet naar een dienstbetrekking is of wordt toegeleid, en van wie op eigen verzoek door het UWV is of wordt vastgesteld dat hij niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet . Bij algemene maatregel van bestuur kunnen ten aanzien van de persoon, bedoeld in de vorige zin, nadere regels worden gesteld, of
  • f.die op of na 1 januari 2013 een persoon was als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b of c, en op 1 mei 2015 niet langer een zodanige persoon was, met uitzondering van de persoon, bedoeld in onderdeel c, die duurzaam geen mogelijkheden tot arbeidsparticipatie meer heeft als bedoeld in artikel 1a:1 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten .
2Voor de toepassing van deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt onder een arbeidsbeperkte mede verstaan een persoon die naar het oordeel van het UWV wegens ziekte of gebrek ontstaan voordat de leeftijd van 18 jaren is bereikt of in de tijd dat hij studerende was als bedoeld in artikel 1:4 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten een belemmering ondervindt in het verrichten van arbeid in dienstbetrekking, op grond van artikel 10 van de Participatiewet of artikel 35 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen een voorziening ontvangt en zonder die voorziening niet in staat is tot het verdienen van het wettelijk minimumloon, bedoeld in artikel 2, onderdeel c, van de Participatiewet .3Met betrekking tot de beoordeling door het UWV of een persoon een arbeidsbeperkte is als bedoeld in het tweede lid worden bij of krachtens algemene maatregel van bestuur regels gesteld.4In deze paragraaf en in artikel 122n en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder verloonde uren: de uren waarover loon is betaald en die zijn opgenomen in de loonaangifte op grond van artikel 28, eerste lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 en die tevens zijn opgenomen in de polisadministratie op grond van artikel 33, tweede lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen .5In deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt verstaan onder de beschikking: de in artikel 38h, eerste lid , bedoelde beschikking alsmede de op grond van artikel 38h, vijfde lid, herziene beschikking.6Voor de toepassing van deze paragraaf en de daarop berustende bepalingen wordt tevens als arbeidsbeperkte beschouwd de persoon, niet zijnde de persoon van wie door het college van burgemeester en wethouders is vastgesteld dat hij uitsluitend in een beschutte omgeving onder aangepaste omstandigheden mogelijkheden tot arbeidsparticipatie heeft als bedoeld in artikel 10b, eerste lid, van de Participatiewet , die niet langer aan de voorwaarden op grond van het eerste dan wel het tweede lid voldoet, zolang zijn opname in de registratie van arbeidsbeperkten, bedoeld in artikel 38d, eerste lid , nog niet is geëindigd.
Art. 38c Indeling sectoren
Bij regeling van Onze Minister worden werkgevers voor de toepassing van deze paragraaf en artikel 122n ingedeeld bij de sector overheid of de sector niet-overheid.
Art. 38d Registratie arbeidsbeperkten
1Het UWV draagt zorg voor de inrichting en de adequate werking van de registratie van arbeidsbeperkten en is de verwerkingsverantwoordelijke in de zin van artikel 4, onderdeel 7, van de Algemene verordening gegevensbescherming met betrekking tot de verwerking van gegevens, waaronder persoonsgegevens als bedoeld in die verordening, ten behoeve van deze registratie.2Het UWV verwerkt in de registratie, bedoeld in het eerste lid, de gegevens over arbeidsbeperkten met het oog op het bevorderen van de arbeidsdeelname van deze personen en ten behoeve van de vaststelling van de quotumheffing, bedoeld in artikel 38h .3Het college van burgemeester en wethouders verstrekt het UWV uit eigen beweging en verplicht op verzoek kosteloos de gegevens over de arbeidsbeperkten, bedoeld in artikel 38b, eerste lid, onderdelen a, b, d en e, en tweede lid , die noodzakelijk zijn voor de gegevensverwerking, bedoeld in het eerste lid.4Het UWV verstrekt het college van burgemeester en wethouders en de belastingdienst uit eigen beweging en verplicht op verzoek kosteloos gegevens uit de registratie, bedoeld in het eerste lid, die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van hun taken.5Het UWV is bevoegd gegevens die het verwerkt voor de uitvoering van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten en voor de uitvoering van de taak, bedoeld in artikel 30d van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen , te verwerken ten behoeve van de registratie, bedoeld in het eerste lid.6Het UWV en de belastingdienst zijn bevoegd de gegevens, die zij verwerken in de polisadministratie op grond van artikel 33 van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen tevens te verwerken voor zover deze noodzakelijk zijn voor de bevordering van arbeidsdeelname van arbeidsbeperkten en voor de vaststelling van de quotumheffing, bedoeld in artikel 38h .7Het UWV is bevoegd op verzoek van een werkgever aan deze mee te delen of de door de werkgever aangeduide werknemer, de persoon met wie hij verwacht een dienstbetrekking aan te gaan of de persoon, die onder zijn toezicht en leiding arbeid verricht of als bedoeld in artikel 38g, tweede lid , ter beschikking is gesteld, op basis van het burgerservicenummer, is opgenomen in de registratie, bedoeld in het eerste lid.8Het college van burgemeester en wethouders en het UWV informeren de persoon op wie de gegevens betrekking hebben over de verwerking van zijn gegevens op grond van dit artikel voordat de gegevens worden vastgelegd in de registratie, bedoeld in het eerste lid, of worden verstrekt met het oog op die vastlegging, tenzij deze persoon redelijkerwijs hiervan kennis draagt.9Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld, in ieder geval met betrekking tot:
  • a.de inrichting, de gegevensset en de wijze van verkrijging van de gegevens ten behoeve van de registratie, bedoeld in het eerste lid,
  • b.de geldigheidsduur van de registratie van de persoon en het vervallen van de registratie van de persoon, en
  • c.de vaststelling, bedoeld in artikel 38b, eerste lid, onderdelen a en e , ten behoeve van de opname van personen in de registratie, bedoeld in het eerste lid.
10Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot:
  • a.de ambtshalve verstrekking door het UWV van gegevens uit de registratie, bedoeld in het eerste lid, aan werkgevers als bedoeld in het zevende lid;
  • b.de verstrekking van gegevens aan het UWV door werkgevers als bedoeld in het zevende lid in verband met het verrichten van arbeid door arbeidsbeperkten als bedoeld in artikel 38g, tweede en vierde lid .
Art. 38e Wijze van heffing en tijdvak
1De met betrekking tot het quotumtekort, bedoeld in artikel 38g , verschuldigde heffing wordt geheven indien deze op grond van artikel 122n, eerste lid , voor de werkgever in de desbetreffende sector is geactiveerd en niet op grond van artikel 122n, tweede lid, niet wordt uitgevoerd.2De quotumheffing wordt geheven over het kalenderjaar waarover het quotumtekort wordt vastgesteld, waarbij het quotumtekort wordt bepaald door het aantal arbeidsplaatsen ingevuld door arbeidsbeperkten, uitgedrukt in verloonde uren, ten opzichte van het totaal aantal arbeidsplaatsen, uitgedrukt in verloonde uren, in dat jaar overeenkomstig de berekeningsformule, bedoeld in artikel 38g, derde lid .3De voor de toepassing van het tweede lid in aanmerking te nemen verloonde uren worden vastgesteld op grond van de loonaangiften die uiterlijk op 1 mei van het jaar volgend op het in het tweede lid bedoelde kalenderjaar zijn ingediend alsmede de correcties daarop die uiterlijk op die datum zijn ingediend. Hierbij worden uitsluitend loonaangiften en correcties in aanmerking genomen met betrekking tot het kalenderjaar waarover het quotumtekort wordt vastgesteld.
Art. 38f Vaststelling quotumpercentages
1Bij regeling van Onze Minister wordt in het kalenderjaar voorafgaand aan het kalenderjaar waarover het quotumtekort, bedoeld in artikel 38g , wordt bepaald, ten behoeve van de bepaling van het quotumtekort, bedoeld in artikel 38g, voor het desbetreffende kalenderjaar een quotumpercentage voor de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid vastgesteld overeenkomstig de berekeningsformule, bedoeld in het tweede lid. Bij deze regeling worden de berekeningen op grond van het tweede lid die tot dit percentage hebben geleid, gepubliceerd. Het percentage wordt naar beneden afgerond op twee cijfers achter de komma.2De quotumpercentages worden berekend overeenkomstig de volgende formule:waarbij:
  • A= totaal aantal banen bij werkgevers die op grond van artikel 34, derde en vierde lid, quotumheffing zijn verschuldigd, die worden vervuld door arbeidsbeperkten als bedoeld in artikel 38b, eerste en zesde lid op grond van de nulmeting op 1 januari 2013 in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid
  • B= het aantal extra banen voor arbeidsbeperkten als bedoeld in artikel 38b, eerste en zesde lid bij werkgevers dat dient te worden gerealiseerd vanaf het kalenderjaar 2015 overeenkomstig het sociaal akkoord voor de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid
  • C= het gemiddeld aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten als bedoeld in artikel 38b, eerste en zesde lid in de sector overheid en de sector niet-overheid tezamen
  • D= het totaal aantal banen bij werkgevers in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid die op grond van artikel 34, derde en vierde lid , quotumheffing zijn verschuldigd
  • E= het gemiddeld aantal verloonde uren van een werknemer bij werkgevers in de sector overheid en de sector niet-overheid tezamen die op grond van artikel 34, derde en vierde lid , quotumheffing zijn verschuldigd
  • F= het aantal arbeidsbeperkten, bedoeld in artikel 38b, tweede en zesde lid , bij werkgevers die op grond van artikel 34, derde en vierde lid , quotumheffing zijn verschuldigd, in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid
  • G= het gemiddeld aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten als bedoeld in artikel 38b, tweede en zesde lid , in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid tezamen die op grond van artikel 34, derde en vierde lid , quotumheffing zijn verschuldigd
  • H= het aantal gerealiseerde extra banen voor arbeidsbeperkten bij werkgevers als bedoeld in artikel 34, vierde en zesde lid , in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid.
3Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de variabelen A tot en met E en H van de formule, bedoeld in het tweede lid. Hierbij kunnen categorieën werknemers worden aangewezen waarvan de banen in mindering worden gebracht op het totaal aantal banen, bedoeld in het tweede lid met betrekking tot variabele D.4Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld met betrekking tot de variabelen F en G van de formule, bedoeld in het tweede lid. De voordracht voor een krachtens de vorige volzin vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.5Bij regeling van Onze Minister kunnen werknemers in bepaalde soorten dienstbetrekkingen voor de toepassing van het eerste en tweede lid en artikel 122n, eerste en tweede lid , worden gelijkgesteld met arbeidsbeperkten.6Ten aanzien van de werknemers, bedoeld in het vijfde lid, is deze afdeling, alsmede artikel 38b, eerste lid, onderdeel f , van overeenkomstige toepassing.
Art. 38g Bepaling van het quotumtekort
1Ten behoeve van de vaststelling van de quotumheffing, bedoeld in artikel 38h , wordt het quotumtekort per werkgever bepaald overeenkomstig de berekeningsformule, bedoeld in het derde lid.2Voor de toepassing van dit artikel wordt niet als werknemer en niet als arbeidsbeperkte beschouwd de persoon die arbeid verricht in een dienstbetrekking in de zin van artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening , tenzij deze persoon op grond van het vierde lid is aangewezen en aan de werkgever ter beschikking is gesteld.3Het quotumtekort wordt berekend overeenkomstig de volgende formule:waarbij:
  • A= totaal verloonde uren van werknemers bij de werkgever in het kalenderjaar waarover het quotumtekort wordt vastgesteld
  • B= het quotumpercentage dat op grond van artikel 38f, eerste lid , is vastgesteld voor het kalenderjaar in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid waartoe de werkgever behoort
  • C= aantal verloonde uren bij de werkgever van arbeidsbeperkten in het kalenderjaar waarover het quotumtekort wordt vastgesteld
  • D= het gemiddeld aantal verloonde uren van arbeidsbeperkten op jaarbasis in de sector overheid en de sector niet-overheid tezamen.
4Bij algemene maatregel van bestuur worden categorieën arbeidsbeperkten die aan de werkgever ter beschikking zijn gesteld om voor hem onder zijn toezicht en leiding arbeid te verrichten aangewezen, die overeenkomstig bij of krachtens die maatregel te stellen regels worden beschouwd als werknemers en arbeidsbeperkten waarop het derde lid van toepassing is. Deze categorieën arbeidsbeperkten worden voor de toepassing van het derde lid niet geacht in dienstbetrekking te staan tot de werkgever die deze arbeidsbeperkten ter beschikking heeft gesteld. Bij of krachtens deze maatregel worden in verband met dit lid nadere regels gesteld voor de toepassing van het derde lid.5Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen categorieën werknemers worden aangewezen ten aanzien waarvan de verloonde uren in mindering worden gebracht op het totaal aantal verloonde uren, bedoeld in het derde lid, met betrekking tot variabele A.6Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden nadere regels gesteld omtrent de wijze waarop een quotumtekort wordt bepaald.7Bij de gegevensverwerking die nodig is op grond van het vierde en vijfde lid kan door de werkgever die de arbeidsbeperkten ter beschikking stelt en de werkgever aan wie deze arbeidsbeperkten ter beschikking zijn gesteld om onder zijn toezicht en leiding arbeid te verrichten, het burgerservicenummer worden gebruikt.8Ingeval de periode waarin een werknemer arbeidsbeperkte is, in de loop van een aangiftetijdvak voor de loonbelasting begint of eindigt, worden bij de berekening van het quotumtekort tevens de verloonde uren in aanmerking genomen bij die werkgever in het buiten die periode vallende deel van het aangiftetijdvak waarin die periode begint of eindigt.
Art. 38h Vaststelling quotumheffing
1De inspecteur stelt bij voor bezwaar vatbare beschikking de quotumheffing vast voor de werkgever, ten aanzien van wie een quotumtekort als bedoeld in artikel 38g is bepaald.2De beschikking bevat in ieder geval:
  • a.de vaststelling dat de werkgever quotumheffing is verschuldigd op grond van artikel 34, derde en vierde lid ;
  • b.het kalenderjaar waarover het quotumtekort is vastgesteld waarop de beschikking betrekking heeft;
  • c.het totale aantal verloonde uren bij de werkgever in het kalenderjaar waarover het quotumtekort is vastgesteld;
  • d.het aantal van die verloonde uren dat wordt ingevuld door arbeidsbeperkten;
  • e.de berekening van het quotumtekort, bedoeld in artikel 38g, derde lid ;
  • f.het bedrag van de quotumheffing.
3De vaststelling van de quotumheffing vindt plaats vóór 1 november volgend op het kalenderjaar waarover het quotumtekort wordt vastgesteld.4De quotumheffing bedraagt het quotumtekort vermenigvuldigd met € 5.000.5De inspecteur is bevoegd tot herziening van een beschikking op grond van dit artikel indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de beschikking is gegeven op grond van onjuiste of onvolledige gegevens. Een herziening ten nadele van de werkgever is uitsluitend mogelijk indien deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever of de gewezen werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn. De inspecteur stelt de herziening vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.6Beschikkingen van de inspecteur op grond van dit artikel worden genomen gehoord het UWV en in overeenstemming met het UWV.7Op het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de beschikking is hoofdstuk V van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing. Het bezwaar, beroep, hoger beroep en beroep in cassatie inzake de beschikking kan niet zijn gegrond op de grief dat een werknemer niet is opgenomen in de registratie, bedoeld in artikel 38d .8 Paragraaf 4.1.3.2 van de Algemene wet bestuursrecht is niet van toepassing ten aanzien van de beslissing van de inspecteur naar aanleiding van het bezwaar tegen de beschikking, bedoeld in het eerste en vijfde lid.
Art. 38i Inning quotumheffing
1De inspecteur stelt de beschikking ter invordering van de daaruit blijkende quotumheffing aan de ontvanger ter hand. Onverminderd het overigens in deze paragraaf bepaalde geschiedt de invordering van de quotumheffing met toepassing van de Invorderingswet 1990 en de Kostenwet invordering rijksbelastingen als ware die heffing een rijksbelasting.2De beschikking is invorderbaar zes weken na de dagtekening van de beschikking.
Art. 38j Belastingdienst
De belastingdienst is belast met de heffing van de quotumheffing en de invordering van deze heffing.
Par. undefined Rijksbijdrage
Art. 39 Rijksbijdrage
Onze Minister kan bedragen vaststellen die jaarlijks of in het desbetreffende jaar als rijksbijdrage als bedoeld in artikel 114, onderdeel f , ten gunste komen van het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Afd. 5 Eigenrisicodragen
Par. undefined
Art. 40 Verzoek eigenrisicodragen
1De inspecteur verleent overeenkomstig deze afdeling aan een werkgever op aanvraag bij voor bezwaar vatbare beschikking toestemming om zelf het risico te dragen van betaling van:2De werkgever legt bij een aanvraag als bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, een schriftelijke garantie over waaruit blijkt dat een bank of een verzekeraar zich jegens het UWV verplicht, op het eerste verzoek van het UWV waarbij het UWV schriftelijk meedeelt dat de verplichtingen die voortvloeien uit het zelf dragen van het risico niet worden nagekomen, die verplichtingen na te komen. Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kan een model worden gegeven dat wordt gehanteerd voor de garantie, bedoeld in de eerste zin.3De overheidswerkgever, bedoeld in artikel 1, onderdeel k, van de Wet overheidspersoneel onder de werknemersverzekeringen , voorzover deze door Onze Minister in overeenstemming met Onze Minister van Financiën is aangewezen, is ontheven van de verplichting tot het overleggen van een schriftelijke garantie als bedoeld in het tweede lid.4De in het eerste lid bedoelde toestemming wordt niet verleend gedurende drie jaren nadat het door de werkgever zelf dragen van het desbetreffende in het eerste lid bedoelde risico is beëindigd of geëindigd.5Onder een bank als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van bank mag uitoefenen.6Onder een verzekeraar als bedoeld in het tweede lid wordt verstaan een financiële onderneming die ingevolge de Wet op het financieel toezicht in Nederland het bedrijf van levensverzekeraar of schadeverzekeraar mag uitoefenen.7De garantie, bedoeld in het tweede lid, wordt voor onbepaalde tijd gegeven. Deze garantie strekt zich uit tot rechtsopvolgers onder algemene titel van de eigenrisicodrager en tot het risico dat overgaat op de verkrijgende werkgever, bedoeld in artikel 82, derde lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen . Deze garantie kan door de desbetreffende bank of verzekeraar niet worden beëindigd zonder schriftelijke opzegging bij de inspecteur.8De garantie, bedoeld in het tweede lid, strekt zich niet uit tot een WGA-uitkering ter zake van ongeschiktheid tot werken die is ontstaan door een omstandigheid als bedoeld in artikel 3:38 van de Wet op het financieel toezicht , door een omstandigheid die het gevolg is van een of meer terroristische handelingen voor zover de totale schade die in een kalenderjaar ten gevolge van dergelijke handelingen bij schade- of levensverzekeraars waarop de Wet op het financieel toezicht van toepassing is, zal worden gedeclareerd, naar verwachting van de Nederlandse Herverzekeringsmaatschappij voor Terrorismeschaden N.V. hoger zal zijn dan het door die maatschappij herverzekerde maximumbedrag per kalenderjaar, of door een kernongeval als bedoeld in artikel 1, eerste lid, van de Wet aansprakelijkheid kernongevallen .9De toestemming, bedoeld in het eerste lid, wordt door de inspecteur verleend met ingang van 1 januari of 1 juli van enig jaar, mits de aanvraag ten minste dertien weken voor de desbetreffende datum is ingediend. Aan een startende werkgever wordt op zijn verzoek toestemming verleend met ingang van het tijdstip waarop deze aanvangt werkgever te zijn.10Het door de werkgever zelf dragen van het risico, bedoeld in het eerste lid:
  • a.eindigt met ingang van de dag waarop de schriftelijke garantie, bedoeld in het tweede lid, eindigt, onderscheidenlijk met ingang van de dag waarop de eigenrisicodrager in staat van faillissement is verklaard of ten aanzien van hem de schuldsaneringsregeling natuurlijke personen van toepassing is verklaard dan wel de dag waarop hij ophoudt werkgever te zijn;
  • b.wordt door de inspecteur op 1 januari of 1 juli van enig jaar beëindigd bij voor bezwaar vatbare beschikking op aanvraag van de werkgever, mits deze aanvraag ten minste dertien weken voor de desbetreffende datum is ingediend.
11In een geval als bedoeld in het tiende lid, onderdeel a, doet de inspecteur daarvan op verzoek van de werkgever mededeling bij voor bezwaar vatbare beschikking.12De inspecteur is bevoegd tot intrekking van de beschikking, bedoeld in het eerste lid, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de beschikking is verleend op grond van onjuiste of onvolledige gegevens en deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever of de gewezen werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn. De inspecteur stelt de intrekking van de beschikking vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot intrekking werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.13Indien de periode, bedoeld in artikel 83, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt gewijzigd in die zin dat de wijziging een verlenging van de periode betekent, legt de werkgever die zelf het risico draagt van betaling de van de WGA-uitkering en de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 74, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen , binnen een bij ministeriële regeling te bepalen termijn, een schriftelijke garantie over aan de inspecteur waaruit blijkt dat een bank of een verzekeraar zich jegens het UWV verplicht, op het eerste verzoek van het UWV, waarbij het UWV schriftelijk meedeelt dat de verplichtingen die voortvloeien uit het zelf dragen van het risico niet worden nagekomen, die verplichtingen na te komen.14Indien niet of niet tijdig wordt voldaan aan het dertiende lid, eindigt het door de werkgever zelf dragen van het risico, bedoeld in het eerste lid, onderdeel b, met ingang van de dag waarop de wijziging van de periode, bedoeld in artikel 83, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen in werking treedt.15Bij ministeriële regeling kunnen met betrekking tot het dertiende en veertiende lid nadere regels worden gesteld.16Beschikkingen van de inspecteur op grond van deze afdeling worden genomen gehoord het UWV en in overeenstemming met het UWV.17Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald dat de toestemming, bedoeld in het negende lid, eerste zin, en de beëindiging, bedoeld in het tiende lid, onderdeel b, uitsluitend wordt verleend onderscheidenlijk plaatsvindt met ingang van 1 januari van enig jaar. Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kan in bijzondere omstandigheden de termijn van dertien weken, bedoeld in het negende lid, eerste zin, en het tiende lid, onderdeel b, worden ingekort.
Art. 41 Verhaal kosten eigenrisicodrager op werknemer
1De eigenrisicodrager met betrekking tot de WGA-uitkering bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b , en de startende werkgever, bedoeld in artikel 40, negende lid , die in afwachting is van de door de inspecteur te nemen beslissing op aanvraag, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b , kunnen de bij ministeriële regeling genoemde kosten met betrekking tot een werknemer ten behoeve van eigenrisicodragen onder bij ministeriële regeling te bepalen voorwaarden, tot ten hoogste de helft verhalen op de werknemer.2De eigenrisicodrager die ter dekking van het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid , een verzekering heeft afgesloten mag de door hem ter zake van die verzekering verschuldigde premie niet verhalen op de werknemer voorzover dit niet voortvloeit uit het eerste lid. Elk beding waarbij wordt afgeweken van de eerste zin is nietig.
Art. 42 Nadere regelgeving eigenrisicodragen
1Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor de vaststelling van de gedifferentieerde premie, bedoeld in artikel 38 , ingeval van eigenrisicodragen op grond van artikel 40, eerste lid , en ingeval artikel 40, negende lid, voor de startende werkgever van toepassing is.2Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot deze afdeling.
Art. 43 Aanvullende bepaling eigenrisicodragen
Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen Aan een gemeente of een bestuur van een openbaar lichaam ingevolge een gemeenschappelijke regeling als bedoeld in artikel 1, tweede lid, van de Wet sociale werkvoorziening wordt geen toestemming verleend als bedoeld in artikel 40, eerste lid, aanhef en onderdeel b , ten aanzien van werknemers die werkzaam zijn in een dienstbetrekking op grond van de Wet sociale werkvoorziening .
Art. 44 Hoogte garantiebedrag
Vervallen
Art. 45 Hoogte garantiebedrag
Door vernummering vervallen.
Art. 46 Vrijstelling premie eigenrisicodrager arbeidsongeschiktheidsuitkering
Vervallen
Art. 46a Vrijstelling premie eigenrisicodrager WGA-uitkering
Vervallen
Afd. 6 Premiekortingen en premievrijstelling
Par. undefined bonussen in de vorm van premiekortingen
Art. 47 Premiekorting oudere werknemer
Vervallen
Art. 48 Omvang bonus oudere werknemer
Vervallen
Art. 48a Premiekorting jongere werknemer
Vervallen
Art. 48b Omvang bonus jongere werknemer
Vervallen
Art. 49 Premiekorting arbeidsgehandicapte werknemer
Vervallen
Art. 50 Omvang bonus arbeidsgehandicapte werknemer
Vervallen
Art. 50a Premiekorting bevordering duurzame arbeidsparticipatie
Vervallen
Par. undefined Algemene bepalingen en nadere regels premiekorting
Art. 50b Uitzondering premiekorting
Vervallen
Art. 50c Vaststelling bedrag bonussen
Vervallen
Art. 50d Nadere regels
Vervallen
Par. undefined Premievrijstelling bij marginale arbeid
Art. 51 Voorwaarden premievrijstelling marginale arbeid
Vervallen
Art. 52 Aanvraag
Vervallen
Art. 52a Voorwaarden premievrijstelling arbeid in kleine banen
Vervallen
Art. 53 Aanwijzing categorieën werknemers
Vervallen
Art. 54 Vrijstelling aangewezen categorieën
Vervallen
Art. 55 Nadere regels
Vervallen
Afd. 7 Dienstplichtigen
Par. undefined
Art. 56 dienstplichtigen
Ziektewet Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen 1De premies, bedoeld in artikel 34 , zijn niet verschuldigd over het loon van personen voorzover zij werknemer zijn op grond van artikel 4, eerste lid, onderdeel i of j, van de Ziektewet .2De uitkeringen op grond van de Ziektewet en de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen uit hoofde van een dienstbetrekking als bedoeld in artikel 4, eerste lid, onderdelen i en j, van de Ziektewet , de daaraan verbonden uitvoeringskosten alsmede de op grond van enige wet over die uitkeringen verschuldigde premies en de vergoeding, bedoeld in artikel 46 van de Zorgverzekeringswet die niet op die uitkeringen in mindering kunnen worden gebracht, komen ten laste van het Rijk.3Ten laste van het Rijk komen voorts de kosten die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van artikel 30a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ten aanzien van een betrokkene, indien deze ten tijde van het aanvangen van de werkzaamheden van het re-integratiebedrijf, bedoeld in het achtste lid van dat artikel, een uitkering als bedoeld in het tweede lid ontvangt ten laste van het Rijk.
Hst. 4 De heffing en invordering van premies
Afd.
Par. undefined Heffing
Art. 57 Premieheffing door de rijksbelastingdienst
De rijksbelastingdienst heft de premie voor de volksverzekeringen en de premies voor de werknemersverzekeringen.
Art. 58 Premieheffing volksverzekeringen
1De premie voor de volksverzekeringen wordt, onverminderd het tweede lid en onder verrekening van de krachtens dat lid geheven premie, bij wege van aanslag geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de inkomstenbelasting geldende regels, met uitzondering van artikel 10a.28 van de Wet inkomstenbelasting 2001 .2Voorzover de premieplichtige van een inhoudingsplichtige loon geniet in de zin van de Wet op de loonbelasting 1964 , wordt de premie voor de volksverzekeringen bij wijze van inhouding geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels.3Voorzover de premieplichtige aan de loonbelasting is onderworpen op grond van artikel 5a van de Wet op de loonbelasting 1964 is het tweede lid niet van toepassing.
Art. 59 Premieheffing werknemersverzekeringen
1De premies voor de werknemersverzekeringen worden geheven met overeenkomstige toepassing van de voor de heffing van de loonbelasting geldende regels. Artikel 32d van de Wet op de loonbelasting 1964 is slechts van overeenkomstige toepassing indien degene aan wie het loon wordt afgestaan, werkgever van de werknemer is. De werkgever is tevens gehouden, al dan niet op verzoek van de inspecteur, door middel van een correctiebericht als bedoeld in artikel 28a, tweede lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 de gegevens die noodzakelijk zijn ten behoeve van de vaststelling van het premiepercentage, bedoeld in artikel 27, eerste lid , te verstrekken indien er sprake is van een geval als bedoeld in artikel 27, eerste lid, waarin met terugwerkende kracht de hoge premie van toepassing is. Bij de toepassing van de derde zin is artikel 28a, derde tot en met zevende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 van overeenkomstige toepassing.2In de uitnodiging tot het doen van aangifte, bedoeld in artikel 7, eerste lid, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen , kan mede opgave worden verlangd van gegevens die noodzakelijk zijn ten behoeve van de vaststelling van de premiepercentages, bedoeld in de artikelen 27 , 31 , 36 en 38 , alsmede ten behoeve van de doelen van de gegevensverwerking in de polisadministratie, bedoeld in artikel 33, tweede lid, onderdelen a en e, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen , waarbij met betrekking tot die verlangde gegevens de regels die gelden voor de heffing van de loonbelasting van overeenkomstige toepassing zijn.3De inspecteur beslist ambtshalve of op verzoek van de werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking over het verzekerd zijn op grond van de werknemersverzekeringen.4De inspecteur is bevoegd tot herziening van de beschikking, bedoeld in het derde lid, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de beschikking is verleend op grond van onjuiste of onvolledige gegevens en deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn. De inspecteur stelt de herziening van de beschikking vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.5Op het beroep van de werkgever tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur op grond van de artikelen 40 , 95 of 97 is hoofdstuk V, afdeling 2, van de Algemene wet inzake rijksbelastingen van overeenkomstige toepassing.6De inspecteur stelt de werkgever zonodig op de hoogte van de door het UWV op aanvraag van de werknemer genomen beschikking over het verzekerd zijn op grond van de werknemersverzekeringen.7Indien in verband met een gevraagde beschikking informatie is gevraagd aan een persoon of instantie buiten Nederland en om die reden de beschikking niet binnen de termijn, bedoeld in afdeling 4.1.3 van Algemene wet bestuursrecht , gegeven kan worden, wordt die termijn verlengd met ten hoogste zes maanden en wordt de aanvrager van deze verlenging schriftelijk in kennis gesteld.8In afwijking van de artikelen 25 , 30 en 34, eerste lid , en met overeenkomstige toepassing van artikel 13bis, elfde en vijftiende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964 , is de premie door de werknemer verschuldigd in de gevallen, bedoeld in artikel 13bis, elfde en vijftiende lid, van de Wet op de loonbelasting 1964.9Het zevende lid is van overeenkomstige toepassing op een aanvraag als bedoeld in het derde lid en op een aanvraag of melding op grond van de artikelen 40 , 95 of 97 .
Par. undefined Invordering
Art. 60 Invordering door de rijksbelastingdienst
1De rijksbelastingdienst vordert de premie voor de volksverzekeringen en de premies voor de werknemersverzekeringen in.2Bij de invordering van de premie voor de volksverzekeringen zijn, naar gelang artikel 58, eerste lid, dan wel tweede lid van toepassing is, de regels geldende voor de invordering van de inkomstenbelasting onderscheidenlijk de loonbelasting van overeenkomstige toepassing.3Bij de invordering van de premies voor de werknemersverzekeringen zijn de regels geldende voor de invordering van de loonbelasting, met uitzondering van artikel 38, eerste lid, onderdeel a, van de Invorderingswet 1990 , van overeenkomstige toepassing.
Par. undefined Schuldige nalatigheid premie volksverzekeringen
Art. 61 Schuldige nalatigheid
Vervallen
Art. 62 Beroep
Vervallen
Par. undefined Aanvullende regeling
Art. 63 Nadere regels
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit hoofdstuk.
Hst. 5 Gemoedsbezwaarden
Par. undefined
Art. 64 Ontheffing wegens gemoedsbezwaren
1De SVB kan op verzoek wegens gemoedsbezwaren tegen één of meer volksverzekeringen of alle werknemersverzekeringen ontheffen van de verplichtingen opgelegd op grond van de desbetreffende wetten en deze wet:
  • a.de persoon, die deze gemoedsbezwaren heeft;
  • b.de rechtspersoon, waarbij natuurlijke personen zijn betrokken die deze gemoedsbezwaren hebben.
2De SVB doet de inspecteur mededeling omtrent de ontheffing of intrekking van de ontheffing.3 Paragraaf 4.1.3.3 van de Algemene wet bestuursrecht is van toepassing op verzoeken aan de SVB met betrekking tot het verlenen van een ontheffing als bedoeld in het eerste lid.
Art. 65 Premievervangende belasting
1Indien een ontheffing is verleend in het kader van één of meer volksverzekeringen, wordt voor geen van de volksverzekeringen premie geheven, doch vindt voor al die verzekeringen heffing van premievervangende inkomstenbelasting of premievervangende loonbelasting plaats overeenkomstig artikel 58 tot het bedrag van de verschuldigde premie als bedoeld in artikel 9 .2Indien een werkgever ontheffing is verleend in het kader van de werknemersverzekeringen wordt premievervangende loonbelasting geheven overeenkomstig artikel 59 tot het bedrag aan premies dat hij met toepassing van hoofdstuk 3 zou hebben afgedragen, indien hem geen ontheffing zou zijn verleend.3Voor de toepassing van deze wet, de Wet inkomstenbelasting 2001 , de Wet op de loonbelasting 1964 en de Invorderingswet 1990 wordt de premievervangende belasting beschouwd als premie voor de volksverzekeringen dan wel voor de werknemersverzekeringen.
Art. 66 Premie ten laste van Rijk
Ten laste van het Rijk komen de bedragen aan premie voor de volksverzekeringen en de werknemersverzekeringen die wegens een ontheffing niet zijn geheven overeenkomstig artikel 65 .
Art. 67 Nadere regels
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, worden regels gesteld ten aanzien van:
  • a.de voorwaarden, waaronder een ontheffing wordt verleend;
  • b.de verdere gevolgen die aan een ontheffing worden verbonden;
  • c.de gevallen, waarin een ontheffing wordt ingetrokken en de gevolgen die aan die intrekking worden verbonden.
Art. 67a Afzien van horen belanghebbende
Vervallen
Hst. 6 De financiering van de vrijwillige sociale verzekeringen
Afd. 1 De financiering van de vrijwillige volksverzekeringen
Par. undefined Inleidende bepalingen
Art. 68 Premieheffing
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven voor de vrijwillige volksverzekeringen worden verkregen door het heffen van premie.
Art. 69 Algemene begrippen
Voor de toepassing van deze afdeling wordt verstaan onder:
Par. undefined Heffing en inning
Art. 70 Premieheffing door SVB
1De verschuldigde premie voor de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering of de vrijwillige nabestaandenverzekering wordt in rekening gebracht en geïnd door de SVB op de wijze en het tijdstip aangegeven door de SVB.2Een schuld aan premie voor een vrijwillige verzekering valt buiten de nalatenschap van degene, die tot die verzekering was toegelaten. De schuld wordt betaald door degene, die krachtens de betrokken vrijwillige verzekering prestaties ontvangt.
Par. undefined Premieplicht en tarief
Art. 71 Premieplicht en tarief
1Degene die is toegelaten tot de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering of de vrijwillige nabestaandenverzekering, is voor die verzekeringen een premie verschuldigd volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te bepalen tarief.2De voordracht voor een op grond van het eerste lid vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide kamers der Staten-Generaal is overgelegd.
Afd. 2 De financiering van de vrijwillige werknemersverzekeringen
Par. undefined Inleidende bepaling
Art. 72 Premieheffing
De financiële middelen tot dekking van de uitgaven voor de vrijwillige werknemersverzekeringen worden verkregen door het heffen van premie.
Par. undefined Heffing en inning
Art. 73 Premieheffing door UWV
1De premies voor de vrijwillige werknemersverzekeringen worden in rekening gebracht en geïnd door het UWV op de wijze en het tijdstip, aangegeven door dat instituut.2Het UWV kan nadere regels stellen met betrekking tot de premie.3De door het UWV op grond van het tweede lid gestelde regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister.
Par. undefined Werkloosheidswet
Art. 74 Hoogte premie vrijwillige werkloosheidsverzekering
1De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de Werkloosheidswet wordt berekend over het dagloon, bedoeld in artikel 58, eerste lid, van de Werkloosheidswet .2De premie bedraagt een door het UWV te bepalen percentage van het in het eerste lid bedoelde dagloon, met dien verstande dat de premie niet meer bedraagt dan de hoge premie, bedoeld in artikel 27, eerste lid .
Art. 75 Hoogte premie vrijwillige WAO-verzekering
1De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering wordt berekend over het dagloon, bedoeld in artikel 84, eerste lid, van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering .2De premie bedraagt een door het UWV te bepalen percentage van het in het eerste lid bedoelde dagloon, met dien verstande dat de premie niet meer bedraagt dan het hoge krachtens artikel 36, eerste lid , vastgestelde percentage voor de in dat artikel bedoelde gedifferentieerde premie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds.
Art. 76 Hoogte premie vrijwillige Ziektewet-verzekering
1De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de Ziektewet wordt berekend over het dagloon, bedoeld in artikel 68, eerste lid, van de Ziektewet .2De premie bedraagt een door het UWV te bepalen percentage van het in het eerste lid bedoelde dagloon.
Par. undefined Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen
Art. 76a Hoogte premie vrijwillige WIA verzekering
1De premie voor de vrijwillige verzekering op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen wordt berekend over het dagloon, bedoeld in artikel 21, eerste lid, van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen .2De premie bedraagt een door het UWV te bepalen percentage van het in het eerste lid bedoelde dagloon, met dien verstande dat de premie niet meer bedraagt dan het hoge krachtens artikel 36, eerste lid , vastgestelde percentage voor de in dat artikel bedoelde gedifferentieerde premie voor het Arbeidsongeschiktheidsfonds, vermeerderd met een premieopslag die wordt berekend op grond van het in artikel 38, tweede lid , bedoelde percentage.
Afd. 3 Aanvullende bepalingen
Par. undefined
Art. 77 Inlichtingenplicht
Degene die is toegelaten tot een vrijwillige verzekering, is verplicht aan de SVB of het UWV onverwijld uit eigen beweging mededeling te doen van alle feiten en omstandigheden waarvan het hem redelijkerwijs duidelijk is, dat zij van invloed zijn op de hoogte van de verschuldigde premie.
Art. 78 Afzien van horen belanghebbende
Vervallen
Art. 79 Beslistermijn bezwaar
In afwijking van artikel 7:10, eerste lid, van de Algemene wet bestuursrecht beslist de SVB of het UWV binnen dertien weken gerekend vanaf de dag na die waarop de termijn voor het indienen van het bezwaarschrift is verstreken.
Art. 80 Nadere regels
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot de vaststelling, de inning en de betaling van de premie voor een vrijwillige verzekering.
Hst. 7 De fondsen
Afd. 1 Algemeen
Art. 81 Premie-afdracht en -toerekening
Bij regeling van Onze Minister en Onze Ministers van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden regels gesteld met betrekking tot de afdracht van de premie voor de volksverzekeringen en de premies voor de werknemersverzekeringen alsmede van de daarmee verband houdende bestuurlijke boeten en renten door de rijksbelastingdienst aan de fondsen en de wijze van toerekening van die premies, boeten en renten aan de fondsen.
Afd. 2 Volksverzekeringen
Par. undefined en
Art. 82 Ouderdomsfonds en Nabestaandenfonds
1De SVB beheert en administreert afzonderlijk de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in artikel 83, tweede lid , in de vorm van een Ouderdomsfonds.2De SVB beheert en administreert afzonderlijk de middelen tot dekking van de uitgaven, bedoeld in artikel 85, tweede lid , in de vorm van een Nabestaandenfonds.3Het Ouderdomsfonds en het Nabestaandenfonds maken deel uit van de SVB.
Art. 83 Inkomsten en uitgaven Ouderdomsfonds
1Ten gunste van het Ouderdomsfonds komen:2Uit het Ouderdomsfonds worden betaald:
Art. 84 Prognose benodigde middelen
Onze Minister stelt een keer per jaar een prognose op van de benodigde middelen tot dekking van de lasten van de algemene ouderdomsverzekering voor de eerstkomende tien jaren, waarbij onderscheid wordt gemaakt naar de opbrengst van de premies voor de algemene ouderdomsverzekering en de rijksbijdragen bedoeld in artikel 14 .
Art. 85 Inkomsten en uitgaven Nabestaandenfonds
1Ten gunste van het Nabestaandenfonds komen:2Uit het Nabestaandenfonds worden betaald:
Art. 86 Spaarfonds AOW
Vervallen
Art. 87 Rijksbijdrage Spaarfonds AOW
Vervallen
Art. 87a Bijdrage Zorgverzekeringsfonds
1Periodiek wordt door de SVB een bijdrage ten laste gebracht van het Ouderdomsfonds die ten gunste komt van het Zorgverzekeringsfonds, bedoeld in artikel 39, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet .2De bijdrage, bedoeld in het eerste lid, vormt het verschil tussen het in het kalenderjaar geldende percentage, bedoeld in artikel 45, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet , dat wordt toegepast voor het loon, bedoeld in artikel 42, eerste lid, van de Zorgverzekeringswet en het in het kalenderjaar geldende percentage, bedoeld in artikel 45, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet, dat wordt toegepast voor het bijdrage-inkomen, bedoeld in artikel 43, tweede lid, van de Zorgverzekeringswet , vermenigvuldigd met de lasten van de algemene ouderdomsverzekering en de vrijwillige algemene ouderdomsverzekering.3De SVB stelt regels omtrent de termijnen waarin en de wijze waarop de bijdrage, bedoeld in het eerste lid, betaalbaar wordt gesteld.4De door de SVB op grond van het derde lid gestelde regels behoeven de goedkeuring van Onze Minister, na overleg met Onze Ministers van Financiën en van Volksgezondheid, Welzijn en Sport.
Art. 88 Toepassing AOW-fondsen vanaf 2020
Vervallen
Par. undefined officieel
Art. 89 Fonds langdurige zorg
Het Zorginstituut beheert en administreert afzonderlijk een Fonds langdurige zorg.
Art. 90 Inkomsten en uitgaven Fonds langdurige zorg
1Ten gunste van het Fonds langdurige zorg komen:2Uit het Fonds langdurige zorg worden betaald:
Art. 91 Dekking uitgaven Fonds langdurige zorg
1Het Zorginstituut doet jaarlijks uitkeringen uit het Fonds langdurige zorg ter dekking van de noodzakelijke uitgaven, gedaan voor de uitvoering van de in de Wet langdurige zorg geregelde verzekering, volgens bij of krachtens algemene maatregel van bestuur te stellen regels. Bij of krachtens deze algemene maatregel van bestuur kunnen tevens regels worden gesteld over de vorming en aanwending van reserves door Wlz-uitvoerders als bedoeld in de Wet langdurige zorg.2De zorgautoriteit is bevoegd vast te stellen dat uitgaven niet verantwoord waren voor zover deze door hem niet noodzakelijk worden geacht voor de uitvoering van de verzekering op grond van de Wet langdurige zorg . Met de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, evenals met de daarmee verkregen opbrengsten worden geen uitgaven gedekt waarvan de zorgautoriteit heeft vastgesteld dat zij niet verantwoord waren, tenzij de zorgautoriteit anders besluit.3Op de uitkeringen, bedoeld in het eerste lid, kunnen voorschotten worden verleend overeenkomstig door het Zorginstituut te stellen regels,4Op rechten of verplichtingen die voortvloeien uit hetgeen op grond van dit artikel is geregeld, is titel 4.2 van de Algemene wet bestuursrecht niet van toepassing.
Art. 92 Beroep
Vervallen
Afd. 3 Werknemersverzekeringen
Par. undefined Algemeen Werkloosheidsfonds, Uitvoeringsfonds voor de overheid en sectorindeling
Art. 93 Algemeen Werkloosheidsfonds
Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de in artikel 99 bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven en de uitgaven, bedoeld in artikel 100 , in de vorm van een Algemeen Werkloosheidsfonds dat deel uitmaakt van het UWV.
Art. 94 Sectorfondsen
Vervallen
Art. 95 Sectorindeling
1Bij regeling van Onze Minister, na overleg met Onze Minister van Financiën en nadat hij het UWV in de gelegenheid heeft gesteld daarover advies uit te brengen, wordt het bedrijfs- en beroepsleven ingedeeld in sectoren, waarbij elke sector één of meer takken van bedrijf of beroep of gedeelten daarvan omvat en kan een sector worden onderverdeeld in sectoronderdelen, waarbij elk sectoronderdeel de bedrijfsactiviteiten van één of meer werkgevers omvat.2Indien een sector in sectoronderdelen is ingedeeld, stelt de inspecteur ten aanzien van elke bij de betrokken sector aangesloten werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking vast bij welk sectoronderdeel de werkgever behoort of bij welk sectoronderdeel de werkzaamheden die hij doet verrichten, behoren.3De inspecteur is bevoegd tot herziening van de beschikking, bedoeld in het tweede lid, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de indeling van een werkgever bij een sectoronderdeel onjuist is en deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn, waardoor de werkgever is bevoordeeld. De inspecteur stelt de herziening vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.
Art. 96 Aansluiting bij sector
1Een werkgever is van rechtswege aangesloten bij de op grond van artikel 95 vastgestelde sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij als werkgever doet verrichten.2Indien een werkgever werkzaamheden doet verrichten die behoren tot verschillende sectoren, is hij van rechtswege aangesloten bij de sector waartoe de werkzaamheden behoren waarvoor hij als werkgever in de regel het grootste bedrag aan premieplichtig loon betaalt of vermoedelijk zal betalen.3Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen met betrekking tot de aansluiting van een of meer categorieën werkgevers bij een sector regels worden gesteld, waarbij voor deze aansluiting andere criteria bepalend kunnen zijn dan genoemd in het eerste en tweede lid.
Art. 97 Mededeling aansluiting
1De werkgever die op grond van artikel 96 bij een sector is aangesloten of ophoudt bij een sector aangesloten te zijn, doet daarvan binnen twee weken schriftelijk melding bij de inspecteur.2De inspecteur deelt een werkgever bij voor bezwaar vatbare beschikking mee, bij welke sector en vanaf welke datum hij op grond van artikel 96 is aangesloten. De datum waarop de aansluiting op grond van een beschikking als bedoeld in de eerste zin, wijzigt, kan in afwijking van artikel 96, eerste en tweede lid, niet gelegen zijn voor de datum waarop de werkgever om herziening heeft verzocht of de inspecteur ambtshalve heeft geconstateerd dat de indeling niet juist is, tenzij sprake is van een herziening op grond van het vierde lid.3In afwijking van artikel 96, tweede lid , beslist de inspecteur bij voor bezwaar vatbare beschikking op aanvraag dat een werkgever met ingang van een door de inspecteur aan te geven datum voor door de inspecteur aan te wijzen werkzaamheden is aangesloten bij een andere sector dan de sector waartoe de werkzaamheden behoren die hij overigens doet verrichten. Een aanvraag als bedoeld in de eerste zin wordt niet in behandeling genomen indien deze is ingediend op of na 29 juni 2018, 17.00 uur.4De inspecteur is bevoegd tot herziening van de beschikking, bedoeld in het tweede en derde lid, indien enig feit grond oplevert voor het vermoeden dat de aansluiting bij een sector onjuist is en deze tekortkoming een gevolg is van een feit dat aan de werkgever kan worden toegerekend of redelijkerwijs kenbaar had kunnen zijn, waardoor de werkgever is bevoordeeld. De inspecteur stelt de herziening vast bij voor bezwaar vatbare beschikking. De bevoegdheid tot herziening werkt uiterlijk terug tot en met 1 januari van enig jaar waarop de beschikking betrekking heeft en vervalt door verloop van 5 jaren na het einde van het kalenderjaar waarop de beschikking betrekking heeft.
Art. 98 Overgang vermogen
Vervallen
Art. 99 Middelen Algemeen Werkloosheidsfonds
Ten gunste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komen:
Art. 100 Uitgaven Algemeen Werkloosheidsfonds
Ten laste van het Algemeen Werkloosheidsfonds komen:
Art. 101 Budget reïntegratie-voorzieningen
Vervallen
Art. 102 Vergoeding migrerende werknemers
Vervallen
Art. 103 Middelen sectorfondsen
Vervallen
Art. 104 Uitgaven sectorfondsen
Vervallen
Art. 105 Vaststelling lastenplafond sectorfondsen
Vervallen
Art. 106 Uitvoeringsfonds voor de overheid
Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de in artikel 107 bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven en de uitgaven, bedoeld in de artikelen 108 en 109 , in de vorm van een Uitvoeringsfonds voor de overheid dat deel uitmaakt van het UWV.
Art. 107 Middelen Uitvoeringsfonds voor de overheid
Ten gunste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen:
Art. 108 Uitgaven Uitvoeringsfonds voor de overheid
1Ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen:2Ten laste van het Uitvoeringsfonds voor de overheid komen voorts de kosten die rechtstreeks verband houden met de uitvoering van artikel 30a van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ten aanzien van een betrokkene, indien deze ten tijde van het aanvangen van de werkzaamheden van het re-integratiebedrijf, bedoeld in het achtste lid van dat artikel een uitkering ontvangt als bedoeld in het eerste lid, onderdeel a, en het UWV deze uitkering met toepassing van artikel 79 van de Werkloosheidswet niet kan verhalen op de overheidswerkgever.
Art. 109 Budget reïntegratie-voorzieningen
Vervallen
Art. 110 Vergoeding migrerende werknemers
Vervallen
Art. 111 Verdeling premie over uitkeringen overheidswerknemers over fondsen
Bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met Onze Minister van Binnenlandse Zaken en Koninkrijksrelaties, kan een bedrag worden vastgesteld dat op grond van artikel 24 met toepassing van artikel 27 op uitkeringen op grond van de Wet op de arbeidsongeschiktheidsverzekering of de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen aan overheidswerknemers, volgens een bij die regeling te bepalen verdeling wordt afgedragen aan het Uitvoeringsfonds voor de overheid dan wel het Algemeen Werkloosheidsfonds.
Par. undefined Arbeidsongeschiktheidsfonds, Arbeidsongeschiktheidskas en Werkhervattingskas
Art. 112 Arbeidsongeschiktheidsfonds
Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de in artikel 33, eerste lid , bedoelde middelen tot dekking van de uitgaven in de vorm van een Arbeidsongeschiktheidsfonds dat deel uitmaakt van het UWV.
Art. 113 Arbeidsongeschiktheidskas
Vervallen
Art. 113a Werkhervattingskas
Het UWV beheert en administreert afzonderlijk de in artikel 33, tweede lid , bedoelde financiële middelen tot dekking van de uitgaven alsmede de financiële middelen benodigd voor het vormen en in stand houden van een staartlastenvermogen, in de vorm van een Werkhervattingskas die deel uitmaakt van het UWV.
Art. 114 Middelen Arbeidsongeschiktheidsfonds
Ten gunste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds komen:
Art. 115 Uitgaven Arbeidsongeschiktheidsfonds
1Ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds komen, met inachtneming van de artikelen 56 , 100 , 108 en 117b en artikel 5:3 van de Wet arbeidsongeschiktheidsvoorziening jonggehandicapten :2Het UWV bezigt de middelen die zijn gereserveerd ten behoeve van het Arbeidsongeschiktheidsfonds niet tot bestrijding van uitgaven ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds dan met toestemming van Onze Minister.3Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat tevens ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfonds komen:4Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels gesteld voor de uitkeringen, die op grond van het derde lid, ten laste van het Arbeidsongeschiktheidsfond komen.
Art. 116 Middelen Arbeidsongeschiktheidskas
Vervallen
Art. 117 Uitgaven Arbeidsongeschiktheidskas
Vervallen
Art. 117a Middelen Werkhervattingskas
Ten gunste van de Werkhervattingskas komen:
Art. 117b Uitgaven Werkhervattingskas
1Ten laste van de Werkhervattingskas komen de door het UWV te betalen:2Indien een WGA uitkering wordt toegekend direct aansluitend op een op grond van artikel 24 van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen verlengd tijdvak waarin de verzekerde recht heeft op loon, wordt de duur van de verlenging van dat tijdvak in mindering gebracht op de periode, bedoeld in het eerste lid.3Het eerste lid is niet van toepassing indien:4Het UWV bezigt de middelen die zijn gereserveerd ten behoeve van de Werkhervattingskas niet tot bestrijding van uitgaven ten laste van de Werkhervattingskas dan met toestemming van Onze Minister.5Ten laste van de Werkhervattingskas komen voorts:
  • a.vervallen;
  • b.de loonkostensubsidie, bedoeld in artikel 37a van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen zoals dat luidde op 31 december 2011, indien de uitkeringsgerechtigde, met wie de werkgever aan wie de loonkostensubsidie wordt verstrekt een dienstbetrekking aangaat of is aangegaan, op de dag voorafgaand aan die dienstbetrekking recht heeft op een uitkering die ten laste komt van de Werkhervattingskas;
  • c.de kosten die verband houden met de uitvoering van artikel 30a, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen ten aanzien van een uitkeringsgerechtigde, indien deze ten tijde van het aanvangen van de werkzaamheden van het re-integratiebedrijf, bedoeld in het achtste lid van dat artikel, recht heeft op een uitkering die ten laste komt van de Werkhervattingskas.
6Bij algemene maatregel van bestuur kunnen nadere regels worden gesteld met betrekking tot dit artikel.
Art. 118 Uitgaven Werkhervattingskas
1Bij algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de overheveling van gelden uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds naar de Werkhervattingskas.2Bij algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld over de overheveling van gelden uit het Arbeidsongeschiktheidsfonds naar het Rijk ten behoeve van de financiering van uitkeringen en re-integratievoorzieningen op grond van de Wet arbeidsongeschiktheids-voorziening jonggehandicapten , en de financiering van uitkeringen en re-integratievoorzieningen op grond van de Participatiewet .
Art. 118a Vergoeding gemeenten
1Bij algemene maatregel van bestuur kan worden bepaald, dat de colleges van burgemeester en wethouders uitkeringen aan werknemers, die voorafgaande aan de dienstbetrekking, door die colleges van burgemeester en wethouders op grond van artikel 7, eerste lid, onderdeel a, van de Participatiewet zijn ondersteund bij de arbeidsinschakeling vergoeden aan het UWV, indien de dienstbetrekking een bij die maatregel te bepalen tijd heeft geduurd.2Bij of krachtens de algemene maatregel van bestuur, bedoeld in het eerste lid, wordt in ieder geval geregeld:
  • a.welke uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen dit betreft;
  • b.de doelgroep van de werknemers;
  • c.de hoogte van de vergoeding;
  • d.de wijze van vergoeding;
  • e.ten gunste van welk fonds, bedoeld in deze afdeling, de vergoedingen komen.
3Een voordracht voor een krachtens dit artikel vast te stellen algemene maatregel van bestuur wordt niet eerder gedaan dan vier weken nadat het ontwerp aan beide Kamers der Staten-Generaal is overgelegd.4Een op grond van dit artikel vastgestelde algemene maatregel van bestuur treedt slechts in werking, nadat gebleken is dat aan werknemers als bedoeld in het eerste lid bovenmatig uitkeringen op grond van de werknemersverzekeringen worden verstrekt.
Afd. 4 Geïntegreerd middelenbeheer
Par. undefined
Art. 119 Beheer en rekening-courant
1Het Zorginstituut, het UWV en de SVB beheren en administreren elk fonds afzonderlijk.2Indien met betrekking tot een fonds de lasten de baten blijken te overtreffen, wordt het tekort niet gedekt uit een ander fonds.3Het Zorginstituut, het UWV en de SVB houden, elk afzonderlijk, de financiële middelen die deel uitmaken van hun fondsen aan in een of meer rekeningen-courant bij Onze Minister van Financiën.4In afwijking van het derde lid kunnen het Zorginstituut, het UWV en de SVB een deel van de in het derde lid bedoelde financiële middelen buiten de in het derde lid bedoelde rekeningen-courant houden.5Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport worden, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, na overleg met het Zorginstituut, de SVB en het UWV, regels gesteld betreffende de omvang van het in het vierde lid bedoelde deel van de financiële middelen.6Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, nadere regels worden gesteld omtrent het derde lid.
Art. 120 Beschikking over financiële middelen
1Het Zorginstituut, het UWV en de SVB kunnen, voor de uitvoering van hun wettelijke taken, beschikken over de financiële middelen die zij in rekening-courant bij Onze Minister van Financiën aanhouden.2Bij regeling van Onze Minister van Financiën worden, in overeenstemming met Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport en na overleg met het Zorginstituut, het UWV en de SVB, regels gesteld omtrent de rente die over de saldi van de in artikel 119, derde lid , bedoelde rekeningen-courant wordt vergoed onderscheidenlijk in rekening wordt gebracht.3Onze Minister van Financiën brengt voor het beheer van de in artikel 119, derde lid , bedoelde rekeningen-courant geen kosten in rekening.4Bij een tekort aan financiële middelen maken het Zorginstituut, het UWV en de SVB uitsluitend gebruik van de kredietfaciliteiten die door Onze Minister van Financiën worden verleend of lenen het UWV en de SVB uit een door hen beheerd fonds.5Onze Minister van Financiën informeert dagelijks het Zorginstituut, het UWV en de SVB ten aanzien van de in artikel 119, derde lid , bedoelde rekeningen-courant, in elk geval met betrekking tot:
  • a.de slotstanden per dag;
  • b.alle dagelijks geboekte mutaties of transacties in de desbetreffende rekening-courant.
6Het Zorginstituut, het UWV en de SVB informeren Onze Minister van Financiën ten aanzien van de in artikel 119, derde lid , bedoelde rekeningen-courant, in elk geval met betrekking tot de prognoses van de saldi van de desbetreffende rekening-courant.7Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën en na overleg met het Zorginstituut, het UWV en de SVB, nadere regels worden gesteld omtrent het vierde, vijfde en zesde lid.8Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, kunnen regels worden gesteld met betrekking tot de door het College zorgverzekeringen, het UWV en de SVB beheerde fondsen betreffende de onderscheiding van het vermogen van het fonds in verschillende bestanddelen en de normen tot vaststelling van de omvang van deze bestanddelen.
Art. 121 Financiële rapportage
1Jaarlijks vóór bij regeling van Onze Minister vast te stellen tijdstippen zenden het UWV en de SVB aan Onze Minister met betrekking tot elk fonds afzonderlijk:
  • a.een rapportage van de ontwikkelingen die zich tot op dat moment hebben voorgedaan met betrekking tot de financiële middelen en de gerealiseerde uitgaven;
  • b.een begroting van de te verwachten uitgaven uit elk afzonderlijk fonds in het eerstvolgend kalenderjaar.
2Bij regeling van Onze Minister kunnen regels worden gesteld omtrent de aard en inrichting van de in het eerste lid bedoelde rapportage en de begroting van uitgaven.
Art. 121a Financieringsregeling rijksbijdragen
Bij regeling van Onze Minister worden regels gesteld over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de aan het UWV en de SVB toegekende rijksbijdragen worden afgedragen en vastgesteld.
Art. 122 Afdracht gelden door het Rijk
Bij regeling van Onze Minister en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kunnen, in overeenstemming met Onze Minister van Financiën, en na overleg met het Zorginstituut, regels worden gesteld over de wijze waarop en de voorwaarden waaronder de afdracht van gelden plaatsvindt aan de fondsen die geheel of gedeeltelijk door het Rijk worden gefinancierd.
Hst. 7a Overgangsbepalingen
Afd.
Art. 122a Overgangsrecht in verband met het vervallen van de sectorfondsen
Alle vermogensbestanddelen die door het UWV afzonderlijk worden beheerd en geadministreerd in de vorm van een sectorfonds als bedoeld in artikel 94 , zoals dat luidde op de dag voor inwerkingtreding van artikel III, onderdeel I, van de Wet arbeidsmarkt in balans , gaan over op het Algemeen Werkloosheidsfonds.
Art. 122ab Overgangsrecht premiekorting i.v.m. gewijzigd loonsanctiesysteem
Vervallen
Art. 122ac Overgangsrecht eigenrisicodragen WGA-uitkering 2008
Vervallen
Art. 122b Overgangsrecht wijzigingen premiekortingen
Vervallen
Art. 122c Overgangsbepaling premievrijstelling oudere werknemer
Vervallen
Art. 122ca Gedeeltelijke teruggaaf basispremie Arbeidsongeschiktheidsfonds
Vervallen
Art. 122d Overgangsbepaling ontwikkeling premie Algemeen Werkloosheidsfonds
De premie die op grond van artikel 27 is vastgesteld wordt met ingang van het jaar 2015 in verband met de ontwikkeling van de lasten voor werkgevers voortvloeiend uit de toepassing van artikel 2.2 van de Wet tegemoetkomingen loondomein verlaagd met 0,35% in 2015, 0,45% in 2016, 0,55% in 2017, 0,60% in 2018, 0,70% in 2019 en 0,75% in 2020.
Art. 122e Overgangsbepaling eigenrisicodragen
1De werkgever, die op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel C, onderdeel 2, van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters het risico draagt voor de betaling van de WGA uitkering, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b , zoals dat artikel luidde voor die datum wordt na die datum geacht het risico te dragen voor betalingen als bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel b, met ingang van die datum, indien hij een garantie overlegt als bedoeld in artikel 40, tweede lid, die betrekking heeft op het dragen van dit risico.2De werkgever overlegt de garantie, bedoeld in het eerste lid, uiterlijk een dag voor de datum van inwerkingtreding, bedoeld in het eerste lid.3Het door de werkgever zelf dragen van het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid, onderdeel a , wordt, onverminderd artikel 40, tiende lid, onderdeel b, door de inspecteur met ingang van de datum van inwerkingtreding, bedoeld in het eerste lid, beëindigd bij voor bezwaar vatbare beschikking, indien de garantie, bedoeld in het eerste lid, niet uiterlijk een dag voor die datum door de werkgever is overlegd.
Art. 122f Overgangsregeling lopende uitkeringen
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur worden regels gesteld voor uitkeringen op grond van de Ziektewet aan werknemers die zijn toegekend voor de datum van inwerkingtreding van artikel II van de Wet beperking ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid vangnetters en WGA- uitkeringen , die voor die datum zijn toegekend aan werknemers, die uit de dienstbetrekking waaruit de WGA-uitkering is ontstaan, recht hadden op een uitkering op grond van de Ziektewet, en uitvoeringskosten en andere kosten in verband met deze uitkeringen, die ten laste komen van bij die maatregel aan te wijzen fondsen.
Art. 122g Beëindiging premievrijstelling arbeid in kleine banen
Vervallen
Art. 122ga Beëindiging premiekorting jongere werknemer
De artikelen 48a , 48b en 115, eerste lid, onderdeel l , vervallen met ingang van 1 januari 2018.
Art. 122h Overgang vermogensbestanddelen Arbeidsongeschiktheidskas
Alle vermogensbestanddelen die door het UWV, genoemd in hoofdstuk 5, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen , afzonderlijk worden beheerd en geadministreerd in de vorm van een Arbeidsongeschiktheidskas als bedoeld in artikel 113 , zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel IV, onderdeel G, van de Wet Harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving , gaan over op het Arbeidsongeschiktheidsfonds, bedoeld artikel 112 , overeenkomstig door Onze Minister te stellen regels.
Art. 122i Overgangsbepaling eigenrisicodragen WGA gemeente voor schoolpersoneel
Een gemeente die zelf het risico, bedoeld in artikel 40, eerste lid , draagt op 1 juli 2011, draagt op die datum tevens zelf dit risico ten aanzien van haar werknemers als bedoeld in artikel 40, elfde lid, zoals dat luidde op de dag voor de inwerkingtreding van artikel IV, onderdeel H, van de Wet Harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving .
Art. 122j Overgangsrecht ontheffing wegens gemoedsbezwaren
Artikel 64 , zoals dat luidde op dag voorafgaand aan de inwerkingtreding van artikel IV, onderdeel K, van de Wet harmonisatie en vereenvoudiging socialezekerheidswetgeving , blijft van toepassing op ontheffingen die op grond van dat artikel zijn verleend.
Art. 122k Overgangsrecht in verband met wijziging regime voor vergoedingen en verstrekkingen in de
Art. 122l Overgangsbepaling premiekorting oudere werknemer
Vervallen
Art. 122m Overgangsbepaling toepassing AWR op beschikkingen eigenrisicodragen
Indien het bij koninklijke boodschap van 24 januari 2014 ingediende voorstel van wet tot wijziging van de Algemene nabestaandenwet en de Wet uitkeringen burger-oorlogsslachtoffers 1940–1945 in verband met een technische aanpassing van de berekening van de nabestaandenuitkering voor alleenstaande ouders en een verduidelijking van de Werkloosheidswet (Kamerstukken 33 855) tot wet wordt verheven en artikel IVa, onderdeel C, onderdeel 3, van die wet in werking treedt en uiterlijk op de dag voorafgaande aan de datum van inwerkingtreding beroep is ingesteld tegen de uitspraak op bezwaar van de inspecteur op grond van artikel 40 , blijft het recht van toepassing zoals dat gold op die dag.
Art. 122n Geleidelijke invoering en de deactivering van de quotumheffing
1De quotumheffing, bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 4, paragraaf 4a , wordt niet uitgevoerd dan nadat bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, tot invoering is besloten indien is gebleken dat het aantal banen voor arbeidsbeperkten als bedoeld in artikel 38b, eerste, tweede en zesde lid, en het vijfde lid , in onvoldoende mate is toegenomen ten opzichte van het aantal van deze banen op 1 januari 2013, waarbij dit apart wordt beoordeeld voor de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid.2In afwijking van het eerste lid wordt de quotumheffing, bedoeld in hoofdstuk 3, afdeling 4, paragraaf 4a , niet uitgevoerd indien hiertoe bij regeling van Onze Minister, in overeenstemming met het gevoelen van de ministerraad, is besloten, indien is gebleken dat het aantal banen voor arbeidsbeperkten als bedoeld in artikel 38b, eerste, tweede en zesde lid, en het vijfde lid , in voldoende mate is toegenomen ten opzichte van het aantal van deze banen op 1 januari 2013, waarbij dit apart wordt beoordeeld voor de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid.3Bij regeling van Onze Minister wordt ten behoeve van de vaststelling van de toename, bedoeld in het eerste en tweede lid, het aantal banen bepaald voor arbeidsbeperkten, bedoeld in het eerste en tweede lid, uitgedrukt in verloonde uren op 1 januari 2013 voor de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid en wordt voor de desbetreffende sector voor het desbetreffende kalenderjaar, bepaald:
  • a.het cumulatief aantal extra te realiseren banen voor deze arbeidsbeperkten uitgedrukt in verloonde uren;
  • b.het cumulatief aantal gerealiseerde banen voor deze arbeidsbeperkten uitgedrukt in verloonde uren, en
  • c.de uitkomst van de vergelijking tussen het cumulatief aantal banen, bedoeld in de onderdelen a en b, uitgedrukt in verloonde uren.
4Voor de toepassing van het derde lid wordt niet als arbeidsbeperkte beschouwd de persoon die arbeid verricht in een dienstbetrekking in de zin van artikel 2 van de Wet sociale werkvoorziening , tenzij deze persoon op grond van het vijfde lid is aangewezen en aan de werkgever in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid ter beschikking is gesteld.5Bij regeling van Onze Minister worden categorieën arbeidsbeperkten die aan de werkgever in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid ter beschikking zijn gesteld om voor hem onder zijn toezicht en leiding arbeid te verrichten, aangewezen die overeenkomstig die regeling te stellen regels worden beschouwd als arbeidsbeperkten waarop het derde lid van toepassing is. Deze categorieën arbeidsbeperkten worden voor de toepassing van het derde lid niet geacht in dienstbetrekking te staan tot de werkgever in de sector overheid onderscheidenlijk de sector niet-overheid die deze arbeidsbeperkten ter beschikking heeft gesteld.6Een krachtens het eerste lid vastgestelde ministeriële regeling wordt gelijktijdig aan de beide kamers der Staten-Generaal overgelegd. De ministeriële regeling treedt niet eerder in werking dan vier weken na de overlegging.
Art. 122na Opschorting quotumheffing tot 2022
1Nadat bij regeling van Onze Minister op grond van artikel 122n, eerste lid , tot invoering van de quotumheffing voor de betreffende sector is besloten, wordt de quotumheffing, in afwijking van de artikelen 38e, eerste lid , en 122n, eerste lid, niet uitgevoerd met betrekking tot kalenderjaren die zijn gelegen vóór 1 januari 2026.2Ten aanzien van een kalenderjaar waarover de quotumheffing op grond van het eerste lid niet wordt uitgevoerd, wordt met overeenkomstige toepassing van artikel 38f een quotumpercentage vastgesteld voor de sector overheid, onderscheidenlijk voor de sector niet-overheid.
Art. 122o Beëindiging uitsluiting dwangsomregeling
Artikel 38h, achtste lid , vervalt met ingang van 1 januari van het vierde kalenderjaar na het kalenderjaar waarin de quotumheffing op grond van artikel 122n, eerste lid , is geactiveerd, tenzij voor die datum een voorstel van wet bij de Tweede Kamer der Staten-Generaal is ingediend, dat een vergelijkbare regeling bevat voor de uitsluiting van de dwangsomregeling, bedoeld in artikel 38h, achtste lid.
Art. 122p Overgangsrecht in verband met de
Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd Artikel 40, eerste lid, aanhef en onderdeel a , blijft buiten toepassing op het ziekengeld op grond van de Ziektewet , alsmede de overlijdensuitkering, bedoeld in artikel 35 van de Ziektewet , vermeerderd met de verschuldigde inkomensafhankelijke bijdrage, bedoeld in artikel 42 van de Zorgverzekeringswet , dat is of wordt betaald aan de verzekerde ten aanzien van wie de eerste dag van ongeschiktheid tot werken is gelegen op of na de dag dat de verzekerde de leeftijd, bedoeld in artikel 7, onderdeel a, van de Algemene Ouderdomswet heeft bereikt en voor de dag van inwerkingtreding van artikel III, onderdeel D, van de Wet werken na de AOW-gerechtigde leeftijd .
Art. 122q Overgangsrecht in verband met de
Art. 122r Overgangsrecht in verband met de
1In afwijking van artikel 117b, derde lid, onderdeel c , komt een door UWV te betalen WGA-uitkering als bedoeld in dat onderdeel, niet ten laste van de Werkhervattingskas indien:2Dit artikel vervalt met ingang van 1 januari 2032.
Art. 122s Overgangsrecht afschaffing schuldig nalatigverklaring
AOW De SVB neemt een besluit als bedoeld in artikel 61, eerste lid , zoals dat luidde op de dag voor de datum van inwerkingtreding van de Wet van 16 oktober 2023 tot wijziging van de Algemene Ouderdomswet , de Wet financiering sociale verzekeringen en de Invorderingswet 1990 in verband met het afschaffen van de mogelijkheid om schuldig nalatig te verklaren bij het niet of niet geheel betalen van de premie voor de volksverzekeringen, niet op of na die datum van inwerkingtreding.
Hst. 8 Slot- en strafbepalingen
Art. 123 Samenwerking
Bij of krachtens algemene maatregel van bestuur kunnen regels worden gesteld omtrent de wijze waarop de rijksbelastingdienst, het UWV, de SVB, het CAK, genoemd in artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg , de zorgautoriteit en de organen die betrokken zijn bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg , samenwerken ten behoeve van een goede uitvoering van deze wet, de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen , de volksverzekeringen, de werknemersverzekeringen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen , de Zorgverzekeringswet en de belastingwetten, voorzover het betreft de financiering van de sociale verzekeringen.
Art. 124 Onderlinge gegevensuitwisseling
De SVB, het UWV, het CAK, genoemd in artikel 6.1.1, eerste lid, van de Wet langdurige zorg , de zorgautoriteit, de organen die betrokken zijn bij de uitvoering van de Wet langdurige zorg , de rijksbelastingdienst, het Centraal Planbureau en het Centraal Bureau voor de Statistiek zijn bevoegd uit eigen beweging en verplicht desgevraagd aan elkaar en aan Onze Minister, Onze Minister van Financiën en Onze Minister van Volksgezondheid, Welzijn en Sport kosteloos de opgaven en inlichtingen te verstrekken die noodzakelijk zijn voor de uitvoering van deze wet, de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen , de volksverzekeringen, de werknemersverzekeringen, de Wet arbeidsongeschiktheidsverzekering zelfstandigen , de Zorgverzekeringswet en de belastingwetten, voorzover het betreft de financiering van de sociale verzekeringen.
Art. 124a Doorlevering aan derden van gegevens afkomstig van de rijksbelastingdienst
Het UWV is bevoegd de van de rijksbelastingdienst afkomstige gegevens, genoemd in de krachtens artikel 73a, eerste lid , artikel 73, zesde lid of artikel 73, vijfde lid, in verbinding met het eerste tot en met derde lid, van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, te verstrekken aan de in de krachtens artikel 73a, eerste lid , of artikel 73, zesde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen uitgevaardigde algemene maatregel van bestuur, onderscheidenlijk de in artikel 73, eerste tot en met derde lid van de Wet structuur uitvoeringsorganisatie werk en inkomen genoemde derden.
Art. 124b Evaluatie registratie arbeidsbeperkten
De Minister van Sociale Zaken en Werkgelegenheid zendt binnen vijf jaar na de inwerkingtreding van artikel 38d aan de Staten-Generaal een verslag over de doeltreffendheid en de effecten van dit artikel in de praktijk.
Art. 125 Strafbepalingen
1Hij die niet voldoet aan de inlichtingenplicht, bedoeld in artikel 77 , wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste zes maanden of een geldboete van de derde categorie.2Hij die door hem op grond van deze wet betaalde of verschuldigde premie inhoudt op het loon van of op enige andere wijze verhaalt op een werknemer of gewezen werknemer, zonder dat dit bij deze wet is toegestaan, wordt gestraft met hechtenis van ten hoogste een maand of geldboete van de tweede categorie.3De in het eerste en tweede lid bedoelde strafbare feiten zijn overtredingen.
Art. 125a Evaluatie premiekorting oudere werknemers
Vervallen
Art. 126 Nummering
Voor de plaatsing in het Staatsblad stelt Onze Minister de nummering van de artikelen, paragrafen, afdelingen en hoofdstukken van deze wet opnieuw vast en brengt hij de in deze wet voorkomende aanhalingen van de artikelen, paragrafen, afdelingen en hoofdstukken met de nieuwe nummering in overeenstemming.
Art. 127 Inwerkingtreding
De artikelen van deze wet treden in werking op een bij koninklijk besluit te bepalen tijdstip, dat voor de verschillende artikelen of onderdelen daarvan verschillend kan worden vastgesteld.
Art. 128 Citeertitel
Deze wet wordt aangehaald als: Wet financiering sociale verzekeringen.
Naar boven